maandag 31 december 2007

inspirerend 2008

                                                                  deze nieuwjaarswens
                                                           geeft aan een zwartwit uitzicht
                                                                     een helder inzicht


dinsdag 25 december 2007

ode aan Jorge de la Piedra

zondag is geschied
in de tweede uitleg
jorge op de kerstdrive als tweede uit de bus
en dat "zomaar" voor de vuist weg

naar eigen zeggen
het was geen grote kunst
een stel bridgedebielen
als tegenpartij heel wat geklunsd

bijna vier jaar zijn eraan voorafgegaan
we bridgeden aanvankelijk tesaam
dat liep uit op een onenigheid
en was bepaald niet aangenaam

we kozen voor een andere partner
gingen vreemd op bridgegebied
met wederzijds genoegen
en niet voor ons verdriet

vandaag spelen we samen
jij de dealer, niet kwetsbaar, van dit spel
laat je niet aftroeven door Rein
die biedt torenhoog, dat weet je wel

die toren is inhoudelijk wat waard
crème de la crème van het zuiverste soort
kwaliteit meneertje
zoals het behoort

de feestelijke verlichting
komt je wellicht goed te pas
Jacob ontdekte een nieuw speeltje
was daar flink mee in zijn sas

hij vernielde de lampjes
een voldongen feit
welaan, dan wordt het nu tijd
voor onze copieuze kerstmaaltijd

... en nog vele vrederijke jaren
kerst 2007

woensdag 12 december 2007

Maloe Melo

 
  
Onlangs ging ik op een donderdagavond weer eens naar Maloe Melo, mijn favoriete bluescafé, waar ik heel wat voetstappen heb liggen. 
Bij binnenkomst lacht Jur, de man achter de bar met een altijd bungelende sigaar tussen de lippen, me tegemoet. Het is de avond van de jamsession. 
Gelukkig voor mij, maar ik denk niet voor de band en de bar, zijn er niet veel mensen. Vaak krijg ik last van een lichte claustrofobie als het zo gigantisch druk is en er een adembenemende blauwe rookwalm hangt.
De bassist, annex zanger, valt me onmiddellijk op door z'n sterke gitaarspel. Na wat speurwerk op internet weet ik dat het om Otis Hornesby gaat. 
Wat me een prettig gevoel geeft, is dat de sologitarist een jonge jongen is. Het doet me deugd als ik onze jeugd met de blues in de weer zie. Bovendien speelt hij zeker niet onverdienstelijk. Zijn houding laat wat te wensen over. Wellicht wat meer vuur?
De slaggitarist valt ook al bij me in de smaak en brengt een aardig gitaarspel ten gehore. 
Je ziet en hoort het onmiddellijk wanneer de muzikanten goed kunnen luisteren naar elkaar. Dan pas is er werkelijke harmonie en raakt men goed op elkaar ingespeeld. 
De (muziek)egotrippers onder ons vallen op door hun eigen liederlijke gangetje te gaan en, hoe goed hun spel dan ook, het zal in samenwerking met anderen nooit wat worden. Ook de drummer kan m'n goedkeuring wegdragen. 
Het kost me altijd veel moeite om op m'n plaats te blijven zitten als ik muzikaal geraakt word. Dus ook deze keer is het heerlijk swingen.
Na de pauze komt er een dame stereotype Rockin Billy met Dolly Parton allures op het podium. Met haar elektrische gitaar vervalt ze in de bekende uit het hoofd geleerde loopjes en riedeltjes. Ik word er niet warm of koud van en ook de band raakt mijns inziens niet echt geïnspireerd. Bovendien zingt ze lichtelijk vals.
Na de pauze krijgen we een andere gitarist, een drummer en een contrabassist die in combinatie met de zang en het gitaarspel van Otis spetterende blues laten horen. 
Het is weer als vanouds genieten. 

maandag 10 december 2007

steigers

Ik was die nacht laat naar bed gegaan. Het was eigenlijk al tegen de ochtend dat ik m'n ogen sloot. Het ontwaken zou laat in de ochtend plaatsvinden. Althans, dat dacht ik.
Ik word met grof geweld gewekt door het geluid van kletterende metalen buizen en schreeuwende mannen. Mijn wekker staat op zeven uur. Het huis van de buren moet van nieuwe raamkozijnen worden voorzien. Godverju, pas twee uur geslapen. Ik draai me op m'n andere zij, mijn hoofd onder de dekens. Het lijkt wel of die herrie nog luider wordt. De beweegreden zal zijn: wij voor dag en dauw op, jullie ook vroeg wakker, denk ik rancuneus. Mijn irritatie groeit met de minuut en ik krijg de neiging die lui een emmer water over hun kop te gooien. Door m'n ergernis kan ik nu helemaal niet meer slapen. Als het half negen is, is de klus geklaard en gaan de steigerbouwers weg. Eindelijk kan ik me dan in de armen van Morpheus vlijen. Ik slaap de slaap der schonen en verdomd...  het huis aan de overkant dat net z'n onderhoudsbeurt heeft gehad wordt ontsteigerd. Weer datzelfde rotlawaai. De buizen worden gewoon op straat gekletterd. Die dag is er van slapen niets meer gekomen en m'n goeie humeur is met de noorderzon vertrokken.
De volgende ochtend, acht uur, tijd voor de slopers van de kozijnen. Dat scheelt in ieder geval één uur met gisteren. Nog moe van de dag ervoor ben ik bijtijds naar bed gegaan. Toch blijf ik nog even liggen maar dreun zowat m'n bed uit. Van ellende sta ik maar weer op. Tot tien uur een getimmer van jewelste en daarna is het stil.
In de gauwigheid hebben ze een uitzichtverpestende ecobox voor m'n raam gezet. Zodra ik uit m'n venster kijk is het: zicht poepdoos.
Er volgen twee dagen van noeste arbeid. De hele stellage staat in de volle breedte op het trottoir. Indien je je heel smal maakt zou je er nog net langs kunnen maar dat wordt verhinderd door een witrood plastic lintje dat aan de leuning van mijn portiek is geknoopt zodat de uitgang wordt belemmerd tenzij ik me buk of eroverheen stap. De eerste keer ruk ik het lintje van de leuning en haal m'n hand eraan open. Als ik thuiskom zit het kreng alweer om de leuning geknoopt. Geen werkman te bekennen. Ik pak de schaar en knip nijdig het lintje door en voel me de koningin zelve.
Dit herhaalt zich nog gedurende de twee volgende dagen om de haverklap. Tegelijkertijd vraag ik me af of ze nou echt zo achterlijk zijn of doen alsof.
De grote stilte. Tien dagen geen arbeider te bekennen. Er ligt een ravage van houtschilfers, gebladderde verf en splinters glas voor m'n deur. Van aanvegen en opruimen hebben ze nog nooit gehoord. De steiger nutteloos in al zijn glorie op de stoep. Dan komt het grote tumult in kwadraat terug, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, getimmer, mechanisch gejank en gedreun. Zelfs in het weekend gaat het door. Uiteindelijk heb ik ze duidelijk kunnen maken dat ze het lintje ergens anders aan moeten knopen. Met een blik van: die is gek, willigen ze m'n commandoverzoek in.
Het einde is voorlopig nog niet in zicht, dus kan ik nog even lekker doorzeuren...

woensdag 5 december 2007

chez georges


Ik werd uitgenodigd voor een etentje bij Chez Georges waar ik in de vorige eeuw al eens zeer culinair had gedineerd. Het kleine knusse restaurant is opgedeeld in begane vloer, een opkamertje en een kamertje enkele treden omlaag. 
Mijn tafelgenoot en ik werden door de uiterst charmante ober Robert begeleid naar een tafel in de diepte grenzend aan de keuken. De tafels gedekt met damasten tafellakens en servetten waren een lust voor het oog. 
Voor een haastige hap moet je hier niet zijn. De hele avond is voor jou gereserveerd en op je gemak kun je genieten van de culinaire hoogstandjes en de uitstekende bediening. Zeg maar gerust verwennerij. 
Ik schat dat er plaats is voor ongeveer vijfendertig personen. Dit alles in tegenstelling tot de rumoerige grandcafés met harde muziek waar alles echoot en trendy jong publiek trekt.
We begonnen met een aperitiefje van champagne met perziklikeur en werden aangenaam verrast met een amuse: een bouillon met garnalen, donkerbruin brood en boter. 
Na het bekijken van de menukaart kozen we voor een vijfgangenmenu. Mijn tafelgenoot de vlees- en ik de visvariant. Ondanks mijn viseten kozen we voor een fles pinot noir. 
De eerste gang werd opgediend. Ik beperk me tot mijn eigen menu. Een verrukkelijke combinatie van een (foute?) foie gras met fijngesneden rib eye en jamon serrano overdekt met een saus van karamel en framboos. Zeer kunstig opgemaakt.
Inmiddels druppelden de gasten binnen. Ik had een directe inkijk in de keuken en zag Georges druk in de weer met kokkerellen en het opmaken van de borden. Ongelooflijk wat een organisatie. Wanneer  ik twee gasten te eten heb, krijg ik het al spaans benauwd.
De tweede gang bestond uit gamba's en gerookte zalm in een botersaus. Ook al even smakelijk en tongstrelend.
Gelukkig werd het roken beperkt tot het opkamertje en hadden we beneden geen last van geurverpestende walmen. 
Zelfs tafelgenoot en nog twee heren van een nabije tafel gingen uit vrije wil naar buiten om aan hun verslaving te voldoen. Dat was wel wat anders dan de vorige week, zei de ober, toen werden overal sigaren gerookt. Het stond blauw.
De derde gang, tarbot met dragonsaus. De vis was heerlijk, hoewel de zoetige ietwat weeïge smaak van de dragon mij enigszins tegenstond maar dat heeft meer met persoonlijke weerstand te maken.
Mijn bewondering werd groter naarmate de avond vorderde. Ik zag dat de twee vriendelijke obers bedreven, met volle borden, over trappetjes en door smalle gangetjes moesten laveren. Ze werden menigmaal voor de voeten gelopen door de gasten die beurtelings het toilet bezochten. Menig gast zag ik reeds uitbuikend de stoel naar achteren schuiven waarna de doorgang nog nauwer werd. De dame achter de bar had oog voor de lege glazen die onmiddellijk werden bijgevuld.
De vierde gang was een hertenbiefstuk met een morilleroomsaus, het vlees was mooi rouge en heerlijk mals. Mijn scherpe zakmesje hoefde ik niet uit mijn zak te halen want het restaurantmes sneed er met gemak doorheen.
Het was reeds rond tien uur en tijd voor het nagerecht. Ik ben niet zo'n liefhebber van toetjes maar na dit bacchanaal met toch wel machtige sausen en mooie wijnen was het dessert een welkome verfrissing van ijs, chocolade en aardbeien.
De afwezigheid van muziek werd buitengewoon op prijs gesteld. Je zult maar verrast worden met opdringerige muzak. 
De maaltijd werd afgesloten met koffie en likeur. 
We hebben uitstekend en copieus gedineerd.

donderdag 15 november 2007

dilemma's

 
Tot de dag van vandaag kom ik mezelf tegen als iemand die moeilijk kan kiezen. Dat gaat om levenskwesties maar ook om trivialiteiten.
Zoals een dagelijks terugkerend ritueel: poets ik eerst mijn tanden voor het slapen gaan of zal ik me vast uitkleden. Ook kan de volgorde van boodschappen doen al lastig zijn of zal ik naar kroeg Alfa, Beta of Omega gaan. Soms gooi ik kop of munt. Als munt gewonnen heeft, ga ik alsnog naar de verloren kop, als eerste.
In de tijd dat ik nog wel es op reis ging, was het te hopen dat er niet meer dan een, hooguit twee hotels op m’n lijstje stonden. Als ik nummer een had gezien, wilde ik er van overtuigd zijn dat hotel twee niet beter zou zijn. Stel je zou iets moeten missen. Als er in het verschrikkelijkste geval nog hotel drie, vier, vijf, of zes in de aanbieding waren, kon dat ontaarden in een regelrechte ramp. Mijn medereizigers werden weleens goed gek van mijn besluiteloosheid.
Zo ook het restaurantfenomeen. Tafel voor het raam, nee daar zitten te veel mensen in de buurt, tafel rechts, nee de muziek te hard, tafel links... ehhe...  
Voor mij is het leven een groot dilemma. Ik denk dat het in m’n genen zit.
Ik herinner me dat mijn vader op een mooie zondagse dag kon zeggen: Kom moeder, kom kind, we gaan vandaag langs de Amstel fietsen.
Nadat alle banden waren opgepompt -de fiets gebruikten we destijds alleen om tochtjes te maken- en de tas achterop gegespt, konden we eindelijk vertrekken. In de ene helft van de fietstas zaten belegde boterhammen, thee en allerlei lekkers. De andere helft was bestemd voor mijn vaders schildersspullen: palet, tekenschrift, penselen, doek, verf en een veldezeltje. Schilderen was zijn grote passie.
We woonden toen aan de rand van Amsterdam in Oud-Zuid. Voordat we de straat uit waren begon mijn vader al te brullen: rechts af.
Maar dat was toch niet richting Amstel? Nou ja, dan maar de polder in...
Na een half uur fietsen zei vader nu maar eens naar een schilderachtig plekje uit te kijken van waaruit hij iets kon opzetten.
Goed idee. Ik wilde allang lekker rollebollen in het gras en paardenbloemen, boterbloemen, madeliefjes en vergeet-mij-nietjes plukken.
Op zo’n moment kreeg vader een wonderlijk zoekende blik in zijn ogen en speurde iedere graspol tot de einder af.
Vader, daar bij die molen, wees ik enthousiast.
Nee, er staat geen treurwilg bij.
Vader, hier bij deze oude boerderij.
Nee, want de koeien staan niet mooi in verhouding tot dat huis daar. Slechte compositie, bromde hij dan.
Gek werd ik ervan als kind. Als we aan het einde van de middag alweer de eerste huizen van de Zuidelijke Wandelweg in het vizier kregen, was de lol ervan af. 
Vader mokkend omdat hij geen plekje was tegengekomen vandaag en nog geen penseel op het doek had kunnen zetten op z’n kostbare zondagmiddag.
Gelukkig waren we weer thuis en kon ik nog even met mijn vriendjes op straat, zoals mijn moeder zaliger altijd zei, lekker rossen en reupen.

zaterdag 10 november 2007

trauma


Je leek wel een mager gevild konijn toen je geboren werd, heb ik mijn oudste zus regelmatig horen zeggen.
Wat had ik me ontheemd gevoeld, destijds. Ik was vier jaar en liep op een kwade maandagochtend in januari argeloos aan de hand van mijn moeder naar het Amstelstation. Het was koud en het vroor en voor het eerst zat ik in een trein wat op zich al een bijzonderheid was. Alles was grauw en kaal om me heen. We gingen naar Utrecht en daarna met de bus naar Zeist. Ik wist nog niet waarom want in die tijd, in tegenstelling tot nu, werd je helemaal niets uitgelegd als kind maar ik voelde dat er iets niet klopte.
Mijn eetprobleem -ik walgde van voedsel- was de reden dat ik op mijn vierde jaar in een koloniehuis werd gestopt. Zeven weken, om bij te komen. Daar zouden ze me wel leren eten en zou ik van mijn stadse bleekneus afkomen. De boslucht zou goed voor me zijn. Ze hadden uiteraard het beste met me voor. Gezien eerdere omstandigheden, mijn moeder was zwanger van mij tijdens de hongerwinter, was ik er slecht aan toe toen ik werd geboren. Flink ondergewicht, darminfectie en weinig overlevingskans, had de dokter gezegd tegen mijn ongeruste ouders. Grote geestelijke taaiheid, zei hij een jaar later toen ik reeds op de aardkloot rondkroop. Tegen haar gewoonte in was mijn moeder buitengewoon zwijgzaam onderweg.
We moesten naar Het Laantje zonder Eind. Zuster Bos heette het hoofd van het koloniehuis. Op het eerste gezicht stond ze me tegen. Een eng mens, koude vissenogen en een vinnig gezicht, lang en mager, in een wit uniform gestoken. Een klein kapje op het hoofd met daar onderuit het haar in een netje samengebonden tot een knotje in haar nek. Een wrat met een paar grote haren op haar kin verbouwde haar gezicht tot een heksenmasker.
'U moet maar meteen gaan anders is het afscheid zo zwaar', zei ze met strenge blik tegen mijn beduusde moeder.
Mijn moeder stond er, haar tranen wegslikkend, verslagen bij. Ik zag de pijn in haar ogen.
'Dag kind', prevelde ze.
Daar ging ze, mijn steun, m’n toeverlaat, degene die ik het meest vertrouwde in mijn korte leventje... weg....
Het werd zwart om me heen, ik bleef achter in een gevangenis van verlatingsangst. Waarom gebeurde dit? Wat had ik misdaan? Dit was toch niet mijn keuze. En omdat ik de hele boel bij elkaar gilde en er geen land met me te bezeilen was, werd ik gelijk in bed gestopt.
'Om bij te komen', zei Bos. 'Wie niet horen wil, moet maar voelen', was haar motto.
Uiteraard was ik onhandelbaar en werd continue van recalcitrantie beschuldigd. Niemand kon voelen wat er zich werkelijk afspeelde achter die muur van verzet. Ik voelde me verschrikkelijk in de steek gelaten en verraden, zo ontzettend eenzaam en verdrietig, zo verscheurd.
Op een avond zat ik met alle bleekneuzen om een lange tafel geschaard voor de avondmaaltijd. We zouden koolraap eten. De weeë geur die door het huis hing had er al voor gezorgd dat mijn keel op slot zat. De koolraap lag als patates frites gesneden op mijn bord. Dooie vingertjes, hoorde ik mijn vader, die een absolute aversie tegen dit eten had, in gedachten zeggen. Het enige wat me te doen stond, was de inhoud van het bord onder de tafel gooien.
Al gauw werd duidelijk wat er gaande was, de boosdoener was snel gevonden want je verrader sliep niet.
Zuster Bos, dat enge mens, kwam met een onheilspellend gezicht dreigend op me af en sleurde me van tafel, gaf me een lel om mijn oren en sleepte me vervolgens mee naar de keuken. Daar probeerde ze alsnog een stuk koolraap in mijn mond te proppen. Vervolgens spuugde ik het even snel naar buiten en allang straal misselijk kotste ik de inhoud van de hele dag uit, zo over haar net gestreken uniform. Razend was ze. Over de knie, met de vlakke hand op mijn blote billen en onmiddellijk naar bed want dat deed je met stoute kinderen. Huilend en ziek van ellende snikte ik me in slaap.
De volgende dag moesten we een wandeling maken door een eindeloos groot bos. We waren met een groep van ongeveer twintig kinderen en een leidster. Ik had nogal last van diarree. Na vijf minuten gelopen te hebben kreeg ik vreselijke aandrang. Ik zei dat ik moest poepen maar dat mocht niet.
'Wachten tot we weer thuis zijn', was het antwoord. De druk werd hoe langer hoe groter en toen ik het uiteindelijk niet meer hield en het zweet me uitbrak, liet ik het in mijn broek lopen. De leidster was woedend. Had ik het niet op kunnen houden? Voor straf moest ik tien meter vooruit lopen en als voorbeeld worden gesteld wanneer je ’t plompverloren in je broek doet. Alle kinderen lachten me uit. Ik voelde me tot in het diepst van mijn ziel vernederd, beschaamd en gekwetst. Het verlangen naar huis was ondraaglijk en met geen pen te beschrijven. Een ziekmakend gevoel van heimwee. De duisternis van de nacht waarin je verzwolgen werd en dat steeds terugkerende misselijkmakende gevoel in je maag waardoor je helemaal niet meer kon eten. Mijn strot zat dicht en het brood werd naar binnen gestouwd, of je wilde of niet. Dan weer kotsen, pak op je kont en voor straf naar bed. Eenzaamheid, gevoelens van verstikking: huilen, krijsen, boosheid, verdriet, frustratie...
Voor mij hebben 'de bossen nooit meer gezongen'. Tot op de dag van vandaag zou ik het liefst met een kettingzaag alle bossen te lijf willen gaan, op een paar oude eiken en beuken na. Knotwilgen in een weiland langs een sloot die doen me wat, of een eenzame cypres op een helling. Wouden van dennenbomen of berkenbomen daar word ik erg triest van. Voor mij is Finland niet weggelegd. Geef mij maar La Mancha in Spanje: eindeloze vlaktes met vele vergezichten, of ons eigen Nederlandje met zijn vele polders.

* eerder gepubliceerd als zevendelig gedicht: 

donderdag 8 november 2007

sprookjesprins

                                                               wil kikker aaien
                                                    zegt mijn kleinzoon van net twee
                                                            op het kwakersplein

donderdag 1 november 2007

i.m. Sharon


Toen ik afgelopen dinsdagavond op de club aan het bridgen was, ging onverwachts mijn mobiel af. In de stilte en concentratie van het spel klonken de ijle klanken van Purcells Dido en Aeneas. Zeer ongemakkelijk mompelde ik dat het mijn begrafenismuziek was die ik als tune op mijn mobiel had gezet. Om alvast te wennen, schertste ik. Later bleek dat ik het bericht had gekregen dat Sharon was overleden.
Sharon, een Amerikaanse, die 40 jaar geleden, liftend uit Kopenhagen, het liberale tolerante Amsterdam kwam binnenlopen was trots op haar Nederlanderschap sinds 1975.
Ik ontmoette haar gedurende anderhalf jaar op de filosofiegroep bij Theo de Mare waar we twee keer per maand bijeenkwamen. Ze was iemand met grote sociale betrokkenheid. Eigenlijk een hippie in hart en nieren en trouw gebleven aan haar idealen. Ze was uitgesproken in haar denken over mondiale ontwikkelingen en haar verlangen naar alle Menschen werden Brüder. Ze ging geregeld naar andere culturen in Zuid- en Midden-Amerika voor contact, uitwisseling en vrijwilligerswerk. Een vrouw met het hart op de goede plaats.
Dat Sharon ziek was wist ik reeds vanaf 29 juni van dit jaar toen ze in een email te kennen gaf dat ze voortijdig haar reis in Guatemala en Mexico had moeten beëindigen omdat ze draadjes bloed in haar spuug ontdekte tijdens het hoesten. Het bleek dat ze drie kleine tumoren had, in haar long, schedel en de adrenaline klier boven de nier.
Hoe voelde ze zich? Verbijsterd, verdrietig en een beetje bang. Hoe kon ze, vroeg ze zich af, met haar gezonde levensstijl en positieve houding kanker krijgen. Ze schreef dat ze in een uitstekende conditie was, bevestigd door haar artsen die haar zouden helpen te herstellen. Wat er ook zou gebeuren, haar innerlijke vrede en rust zouden haar steun geven.
Drie weken later kreeg ze het slechte nieuws. Haar longkanker was ongeneeslijk. Ze had misschien een paar maanden, misschien een jaar. Triest maar niet tragisch dacht ze op het ene moment. Op een ander moment was ze het vergeten en genoot van alles om zich heen. Dan weer was ze volkomen verslagen, verbijsterd en dacht dat het niet waar kon zijn.
Eind augustus schrijft ze me dat ze zich uitstekend voelt. Ze is wel kortademig en gauw moe maar ze is niet afgevallen en de tumor in haar long is in de laatste twee maanden niet gegroeid. Ze denkt niet meer aan een naderende dood, al houdt ze er rekening mee dat dit zou kunnen veranderen.
De informatie over een uitvaart die ze heeft verzameld, heeft ze ironisch in een mapje rouwkost gestopt en terzijde gelegd.
Begin oktober krijg ik een email waarin ze vertelt dat de tumoren niet zijn verkleind maar juist in een heel snel en agressief tempo gegroeid. Het is nu niet een kwestie van maanden maar weken. Als ze zich fit genoeg voelt en toestemming krijgt, wil ze haar familie in de VS bezoeken. Ze heeft geen gevoelens van vrees of woede, wel verbijstering en verdriet maar ze kan dit allemaal verwerken, schrijft ze.
Half oktober laat ze weten niet naar de VS te gaan. Haar lievelingszus is op bezoek. Ze geniet enorm van de haar gegeven tijd. Iedere dag is een dag.
Dan besluiten Theo en ik op zeer korte termijn Sharon te bezoeken waar ze zich erg op verheugt. Dat vindt plaats op maandagavond 22 oktober. Ze komt op mij alert over en verre van terminaal. We filosoferen over het leven en de dood. We drinken een glas wijn en maken plezier. Verre van een begrafenisstemming. We beloven over veertien dagen terug te komen.
Maandagavond 29 oktober -precies vier maanden na de diagnose- is ze gestorven. In alle eenzaamheid. Men vond haar de volgende ochtend naast haar bed. Haar gezicht verkrampt. Een straaltje verdroogd bloed uit haar mondhoek. Aanstaande maandag, de dag van ons geplande bezoek, wordt ze gecremeerd. Op De Nieuwe Ooster.
Moedige strijdbare Sharon. We hebben gelukkig nog net bijtijds afscheid kunnen nemen.



donderdag 25 oktober 2007

kapperfobie

door Tom Turbeau

ben ik dan geen echte rapper
m’n fobie komt door de kapper
ben niet bang, ben niet boos
moeders wil, ik niet koos
elke maand kapper toe
net een yank lacht m’n moe
‘k haat die dracht van die tijd
‘t is niet cool, ‘k wil ‘t kwijt
acht jaar lang flinke strijd
lang haar, bah, voor een meid
groeit ‘t haar weer gestaag
Lennons look, zeker graag
moeder dreigt: zakgeld stop
ga toch weg met bebop
haren lang in mijn sas
lange tijd kapsel was
ze-ven-tig kwam de punk
stukje meer eigendunk
haar gekleurd, hanenkam
rolberoerte thuis mee kwam
later weer kapsel lang
operatie hoofd niet bang
de bestraling geeft me stress
2x ga ik onder ‘t mes
overleven kleurt mijn haar
& zo gaat dat weer een jaar
in een heel kort tijdsbestek
valt m’n haar uit dat is gek
kussenhaar smorgens vroeg
in mijn bed ligt ook genoeg
bossen haren in mijn kam
‘k schrik me kut-met-peren lam
voel me klein, hou me groot
huilen is toch maar gekloot
dan maak ik een goeie keuze
vriendin geeft me de tondeuse
haar eraf, ‘t staartje rest
schedelkaal bevalt me best

westerdoksdijk versus westerdok

Westerdoksdijk is nostalgie
nostalgie van heden
bijtjes en boompjes van weleer
behoren nu tot het verleden



schoonheid geschonden
Westerdoksdijk van toen
Westerdok van nu

 

eigentijds

                                                           nieuwbouw is ontstaan
                                                           dure woningen te koop
                                                               yuppen rukken op

zaterdag 20 oktober 2007

begrafenis versus crematie




Vorige week is een goede kennis van mij uit haar lijden verlost. Na jarenlang excessief drankmisbruik is ze uiteindelijk aan uitputting overleden. Een longontsteking gaf de genadeslag. Ik besloot naar haar crematie te gaan en kon meerijden met een vriend van de overledene.
Hij kwam mij met z'n Arola ophalen. Ik hees me in zijn brommobiel en als twee gestopte worsten in een koekblik reden we richting Oosterbegraafplaats. Ik stond versteld hoe wendbaar dat kleine karretje is. Over allerlei heuvels en versperringen kwamen we al hotsend op de Middenweg aan. Nog vijf minuten en we zouden op de plaats van bestemming zijn, dachten we.
Dat we een straat te vroeg afsloegen hadden we niet zo snel in de gaten en voor we het wisten waren we verdwaald in een labyrint van straatjes en pleintjes.
Toen we bij een vuilstortplaats kwamen en daar een paar werklui in actie zagen, ging ik maar eens vragen waar de begraafplaats was. Dat wisten zij niet want ze kwamen uit Brabant maar een was zo helder om ons naar honderd meter verderop te wijzen want daar had hij een grafsteen zien staan. We arriveerden op de aangewezen plaats en het bleek dat we aan de achterkant van het kerkhof waren beland. Inmiddels waren we al een kwartier te laat en reden met de Arola over een kiezelstenen pad.
Ook hier waren geen aanwijzingen naar de ingang of uitgang van het dodenoord te bekennen.
Plots kwam ons uit tegenovergestelde richting een rouwstoet tegemoet van uitsluitend zwarte mensen. Mijn reisgenoot wist me te vertellen dat een week geleden een Ghanese man van het balkon was gesprongen op de vlucht voor de politie omdat hij illegaal was. Hij had het niet overleefd, bleek. De bonte stoet van minstens vijftig meter lang bestond uit mannen en klaagvrouwen. De vrouwen leken in trance en schreeuwden ach en wee in hun eigen taal. Sommigen maakten bezwerende gebaren terwijl ze zich kronkelend voortbewogen. Andere vrouwen zakten door de knieën, werden omhooggetrokken en vervolgens ondersteund door de anderen. Wij weken uit met onze Arola, want wensten niet onder de voet gelopen te worden, en keken onze ogen uit. 
Toen we alweer tien minuten verder waren, vonden we uiteindelijk de hoofdingang waar een gastvrouw ons begeleidde naar de plek waar we moesten zijn. De Arola mocht niet voor de deur geparkeerd worden. Omdat mijn metgezel nog maar twintig procent van zijn ademhalingsorgaan kan gebruiken, vanwege een longemfyseem, kwam hij hijgend en puffend aanlopen. Weliswaar met een gigantisch boeket bloemen. Dat had ze nog tegoed van mij, zei hij.
Wij werden binnengelaten en weg gepropt in het kleinste kamertje van het crematorium en ik kon nog net de laatste woorden van de speech verstaan: de overledene is nu bij mama in de hemel.
Er waren weinig mensen maar toch moest de helft blijven staan, waaronder wij. In deze benauwde omgeving mochten we getuige zijn van een engelachtig koor van James Last-achtig allooi en in die tijd konden wij de dode herdenken. Daarna was er koffie en cake en kon ik de gedachte niet onderdrukken dat de overledene en ik in haar goede tijd regelmatig grappen maakten over een spetterende begrafenis mét champagne.
Haar crematie was zoals ze de laatste jaren had geleefd: miserabel, triest, kleurloos, saai en armoedig.
Mij is één ding duidelijk geworden. Voor mij nooit een crematie maar een -liefst bonte- tocht naar het graf.





zondag 14 oktober 2007

cruella

                                     ik ben poedelnaakt
                            mijn jas hangt aan de kapstok
                                   (g)een wrede wereld

eigenwijs

                                         hé ezelskoppen
                              blaft de teckel nieuwsgierig
                                       ik heet Kruimeltje

 

donderdag 4 oktober 2007

de elektrische stoel (deel I)

Sedert enige jaren ervaar ik de wereld buitenshuis anders dan vroeger: op kruishoogte. Mijn gang over straat is namelijk via de elektrische stoel. Waarom dan, vraagt bijna iedereen zich onmiddellijk af.
Vaak is men te bescheiden om mij direct ermee te confronteren maar lees ik vraagtekentjes in de ogen. Natuurlijk lijden we allemaal aan een vorm van nieuwsgierigheid. Ikzelf op de eerste plaats. Het enige nadeel van mijn gevraag zou kunnen zijn dat ik nooit meer van de ondervraagde afkom. Het is me vaak genoeg gebleken dat ik in drie seconden een vraag stel en daar een één-urig antwoord op krijg. Vandaar dat ik niet meer luister naar een langdurige monoloog en wik en weeg alvorens ik naar iemands ellende informeer.
Dan ga ik nu in enkele zinnen de door mij doorstane kommer en kwel melden.
In oktober 1996 had het medisch bolwerk mij een botkanker beloofd en dat zouden ze bewijzen ook. Zestig dagen hielden ze me in spanning met uitsluitend dramatische berichtgevingen over gruwelijke operaties, chemokuren en een nabije dood. Stress en vertwijfeling alom maar ook relativering.
'Ergens' in m'n achterhoofd zei iets: laat ze maar lullen, er is met jou niets aan de hand. Uiteindelijk konden de witjassen na allerlei onderzoeken en biopties kwaadaardigheid uitsluiten en me vertellen dat het geen kanker was maar een steriele botontsteking. De sclerose (botverharding) had een snel groeiend karakter en in een mum van tijd had ik letterlijk en figuurlijk een blok aan m'n been. De foto vertoonde een schitterende rotsformatie.
Oppassen met breken, mevrouw, het bot is zo hard als graniet maar zo broos als kristal, één rare beweging en het zegt krak, zei de professor orthopeed mij en hij adviseerde me een kar aan te schaffen. 
Dat betekende inpassen en aanpassen dus.
Nu neig ik sowieso, ondanks m'n natuurlijke recalcitrantie, met de stroom mee te gaan want verzetten heeft geen zin en waarom zou ik het mezelf moeilijker maken dan het is. Zolang ik niet van wie dan ook afhankelijk hoef te zijn, gaat voor mij het leven gewoon door.
Bewust koketteren dan maar, vooral met je narigheid maar wel met stijl. Daarom die vreselijk saaie kar van een facelift voorzien. Iets wat ziek, zwak en misselijk lijkt, hoeft nog niet zo te zijn. Ik heb hem bekleed met fluwelen draperieën en maskers. M'n grootste lol is met scherpe bochten door het verlaten overzichtelijke Bilderdijkparkje te scheuren. Als een Lucky Luke schiet ik door de straten, m'n schaduw achterlatend en zie hoe ik mensen gelukkig kan maken door m'n verschijning. Wat heb ik zoal gehoord: het spook van de opera, gejaagd door de wind, rariteitencabinet, halloween, Dracula, Zorro, luide lachsalvo's en toesnellende toeristen met fotocamera's.
Sommigen denken dat ik een performance opvoer of met straattheater bezig ben.
The show must go on! Dankzij mijn elektrische stoel.

Zie ook:
de elektrische stoel (deel II)
little red rooster

dinsdag 2 oktober 2007

de elektrische stoel (deel II)

In de tijd dat ik nog swingend over straat liep en in de verte een scootmobiel aan zag komen stuntelen, mompelde ik geregeld binnensmonds: daar heb je de terreur.
Menigmaal ben ik tegen m'n schenen of kuiten gereden of zag ik in de supermarkt een stelling ineenstorten als er weer eens een ongecoördineerde invalide achteruit reed in plaats van vooruit. Dit onvergetelijke schouwspel heb ik ooit mogen meemaken bij de Blokker, dwars door de glasvitrine reed de oude man.
Wat mij vooral zo ergert is de mentaliteit van onze gebrekkige medemens.
Je op de stoep tegemoetkomend, hebben ze het idee dat ze op alles en iedereen voorrang hebben. Zich overal doorheen persen en je de pas afsnijden is een vaak voorkomend euvel.
Toen ik dus het genoegen mocht smaken om zelf in de elektrische stoel te rijden, was mij een ding duidelijk: ik zou het goede voorbeeld geven en zodoende het imago van de invalide en bejaarde opvijzelen.
Ik rij niet graag als een slak over de stoep. Soms kan ik het niet vermijden.
Zoals iedereen bekend is, staan de trottoirs van Amsterdam stampvol met her en der geparkeerde en onderuitgevallen fietsen, soms rijen dik. Of er staat weer een vrachtwagen te laden en te lossen of er moet weer zo nodig een huis gezandstraald worden met als gevolg een steiger tot bijna bij de goot.
Op zo'n moment van smalle doorgang zie je de wrevel reeds in de ogen van de tegemoetkomende wandelaar en kun je zijn gedachte lezen: weer zo'n stumper die moet voordringen.
Als ik dan stop en pontificaal een uitnodigend elegant gebaar van gaat uw gang maak, zie je zowaar een glimlach verschijnen.
Zoals ik reeds in de elektrische stoel (deel I) aangaf, scheur ik graag langs 's-heren wegen. Van verre overzie ik de straat en zo mogelijk geef ik vol gas.
Laatst zag ik een invalide-medemens gehavend en bekneld in de bosjes liggen, haar kar met een wiel in de lucht.
Ben gekanteld en gevallen, kon ze tussen twee astma-aanvallen uitbrengen. Algauw kwamen een paar vriendelijk potige mannen aanlopen om de vrouw uit haar benarde positie te bevrijden.
Op dat moment ontstond bij mij het alleraardigste idee om mijn rijkunsten te vertonen, mijn misdeelde naasten hier en daar wat aanwijzingen te geven en ze te vertellen wat ze vooral niét moesten doen. Ik meldde mij aan als vrijwilliger bij allerlei hulpinstanties en menigeen zou het in beraad nemen en in de groep gooien.
De grote dag was aangebroken. Het experiment zou plaatsvinden en we verzamelden ons bij een buurthuis.
In een praatje vooraf vertelde ik dat je nooit ineens het gas moet loslaten omdat je dan onmiddellijk een achterligger in je nek krijgt. Te langzaam rijden op een fietspad is ook geen goed idee want voor je het weet, rij je in file met jou als koprijder. Ik hoef niet uit te leggen dat dit irritatie en frustratie oplevert voor diegenen die haast hebben achter jou.
Dan is het terugnemen van gas voor de bocht en geven erin een nieuwtje voor iemand die nooit z'n rijbewijs heeft gehaald. Dat je met je gewicht moet spelen in zo'n bocht hadden ze helemaal nog nooit gehoord. Van diversen vernam ik dat ze slagzij hadden gemaakt.
Daarna kwam het praktische gedeelte. We hadden een plein uitgezocht met enige obstakels, een hellinkje en een paar bomen. Ik zou ze laten zien hoe je kunt slalommen.
Na mijn rondje gemaakt te hebben zag ik wat witte en groene gezichten.
Na zich vermand te hebben, piepend: dat durven wij niet, reden ze in optocht dapper achter me aan.
Ik hield me in.
Alle obstakels waren genomen en men waande zich een hele Piet. In de volgende ronde moedigde ik meneer van Dalen aan alleen een rondje te maken.
Mijn waarschuwende: rustig aan hoor mocht niet baten.
Overmoedig reed hij vol gas weg en door de bocht. Het lichaam zwenkte precies naar die kant waar het niet zijn moest, alle drie de wielen van de vloer en de kar op z'n kant.
Meneer van Dalen werd met lichte schaafwonden onder de kar vandaan getrokken. Geschrokken en bleek werd de oude baas afgevoerd. Daarna heb ik de rest van het gezelschap verteld wat er mis was gegaan en laten zien hoe het wél moest.
Iedereen knikte heftig ja, blij dat ze weer naar binnen mochten want daar stond de koffie klaar.
De rijles is slechts eenmalig geweest.

Moraal van het verhaal: wil ik eens iets doen voor mijn medemens, is het weer niet gelukt.

zie ook: little red rooster

 


 

zaterdag 22 september 2007

ons landje

Omdat binnenkort een familielid Abraham gaat zien, was ik in mijn oude muziekboek Kun je nog zingen, zing dan mee -34ste druk uitgegeven in juni 1949- aan het grasduinen.
Piet Hein van de Zilvervloot leek mij een uitermate geschikt lied om te transformeren in een eigentijds op de persoon toegespitste smartlap.
Het album had ik in zeker dertig jaar niet meer ingezien. Al bladerend viel mijn oog op ons landje

Er is een schamel landje
van water gras en veen
een landje met een randje

van grint en mergelsteen
maar op dat need'rig plekje

bloeit hooge schoonheidszin
geen huisje, ja geen hekje

of schoonheid schuilt erin (bis)

Er is een schamel landje

van regen, wind en mist
waarvan haast ieder zandje

uit zee is opgevischt
maar is dat landje ook arm

toch bloeit de liefde 'r schoon
en klopt het hart er warm

voor vaderland en troon (bis)

Er is een schamel landje

met luchten grijs en grauw
maar hier en daar een bandje

van vreugdenrijker blauw
maar is dat landje ook poover

toch bloeit er moed en trouw
en driemaal wee den roover

die 't landje steelen wou! (bis)



Gemengde gevoelens overvielen mij. Een combinatie van: simpelheid, naïviteit en onschuld. Het jaren vijftig gevoel: rechtschapenheid, grijs- en grauwheid, truttigheid en conservatisme maar ook de nostalgie sprak -vreemd genoeg- een woordje mee.
Ik, die me in de jaren zestig zo had afgezet tegen de gevestigde orde en me verwant voelde met de existentialisten waarbij nadruk op het bestaan, vrijheid en eigen keuze hoog in het vaandel stonden, ervaarde weemoed, heimwee en verlangen?!
Weliswaar niet door het kloppend warme hart voor vaderland en troon maar meer door de soberheid en eenvoud van de tekst. Wat kregen we nu. Tot slot bleven de twee laatste regels van de derde strofe bij me hangen en echoden na: en driemaal wee den roover, die 't landje steelen wou.
Ik plaatste het in het hier en nu.
Wat zijn wij bestolen de laatste vijf decennia: door regering, politiek, de teloorgang van het onderwijs, het grootkapitaal, de zogenaamde vooruitgang, door onvrijheid van meningsuiting (hoewel ze mij nooit de mond zullen snoeren).
Wat moeten we inleveren. Al onze verworven vrijheden en emancipatie worden met voeten getreden. In hoeverre hebben we -collectief gezien- het heft nog in eigen hand.

dinsdag 4 september 2007

torenhoog-schuin

                                                               ik vroeg mij nog af
                                                              bij lange jan gekomen
                                                                wie er dronken was

zondag 2 september 2007

i.m. Lancelot

                                                            als een groot ridder
                                                        in het harnas gestorven
                                                                lieve Lancelot

zaterdag 1 september 2007

de bietebauw

Als kind nam je sprookjes, kinderliedjes en rijmpjes voor lief. Je dacht, voor zover ik me kan herinneren, niet na over de tekst en inhoudelijk ging het min of meer langs je heen.
In de loop der jaren realiseer ik me vaak hoe angstaanjagend een kinderliedje kan zijn:
* Berend Botje die uit varen gaat en nooit weerom komt.
* Over het meisje dat loos is en een pak ransel krijgt van de kapitein in de kajuit.
* Op de woelige baren, daar waar het schip op een klip stoot en met man en muis vergaat.
* Het advocaatje dat op reis gaat en in een graatje stikt.
Tot schreiens toe werd ik bewogen als kind wanneer het volgende liedje gezongen werd:
Helder in de kelder boter bij de vis
Kaatje doe de deur eens open en kijk eens wie er is
't Is een arm meisje om een stukje brood
Geef haar maar een hapje want anders gaat ze dood

Dan de sprookjes:
* Roodkapje, zij gaat door het donkere bos naar haar grootmoeder en treft daar de boze wolf in oma's bed aan.
* Sneeuwwitje wordt achtervolgd door een boosaardige stiefmoeder.
* Hans en Grietje die vetgemest worden om daarna als culinair hoogstandje te dienen voor de boze heks.
* Klein Duimpje die met z'n broertjes in het bos wordt achtergelaten om bij een kannibalistische reus als gigantisch feestmaal te fungeren, per abuis eet de reus echter zijn eigen dochters op.
* Assepoester, bespot door een paar jaloerse stiefzusters en als sloof gebruikt, haar plaats is de keuken waar ze de plaat mag poetsen en door stiefmoeder in de dweilhouding wordt gezet. 
Moralisme is schering en inslag, chantage aan de orde van de dag. Kinderen de stuipen op het lijf jagen, daar zijn ouderen bedreven in. Nu weet ik dat de bijtjes en bloempjes maar deelaspecten zijn van het leven en dat goed niet bestaat zonder kwaad en andersom. Als ik echter m'n kleinzoon uit Grimm zou voorlezen, ligt mijn keuze bij een niet te wreed sprookje en laat hem graag -zo lang het nog kan- in het goede geloven.
Kinderen lijken eng en gevaarlijk aantrekkelijk te vinden of vult de volwassene dat als zodanig in.
Onderstaand Vlaamse liedje over de bietebauw -Vlaams voor boeman- is mij bijgebleven vanuit mijn jeugd en werd bij ons thuis vroeger gezongen met mij aan de piano.
Als je als kind hier geen nachtmerrie van krijgt...

*** Kleine, kleine stouterik,
zoudt ge moeder tergen?
wacht, ik zal hem roepen, ik,
uit de zwarte bergen.
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw!
de bietebauw!

Hoor hem, met zijn berenkop,
op de deuren bonzen.
Krak! hij kruipt een zolder op,
oei, oei, oei, den onzen!
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw!
de bietebauw!

Recht naar bedde komt hij, boe.
riekt aan de gordijne,
doe maar zeere uw oogjes toe,
of ge ziet de zijne!
Grijp, grijp, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw!
de bietebauw!

Neen, neen, neen! Naar buiten, beest,
om de stoute knapen!
Moeders kind is braaf geweest;
kan zoo schoone slapen.
Douw, douw, kindje douw;
zwicht u voor den bietebauw,
douw-douw-dijn;
en zoete zijn!

*** muziek: Emiel Hullebroeck
   tekst: René De Clercq

maandag 23 juli 2007

controlefreak

in het voorbijgaan
moest ik de langs lopers
even controleren



schijtlijster

                                                                die rooie rotkat
                                                         heeft jou uit je nest geroofd
                                                               arme schijtlijster






zondag 15 juli 2007

bevangen

                   wereldschokkend nieuws
                   de aardbeving van gister
                     verscheurde het land
 

zaterdag 7 juli 2007

ereis

                                                                  oba Prinsengracht
                                                          voor select gezelschap een
                                                                    uitgelezen boek

on(z') schuld

                                                               wie heeft dat gedaan?
                                                              ik, zei de hangjongere
                                                                middelvinger hoog

zaterdag 30 juni 2007

zintuigen voorbij

laat mij
stilte proeven
kosmische rust
genieten
mijn hart voelen
kloppend
in het ritme der tijd
op een plaats
die ruimtelijk
onbepaald onbeperkt is
in onbegrensd zien
oneindige luister
de geur mijner daden
daargelaten
mij voelen
transformerend
in een metafysisch veld
tastend
naar het levend geheel
van menszijn
in een energieveld
van trilling en eeuwigheid
 
(1976)

dinsdag 19 juni 2007

god is ...

van daar en ergens gekomen
een niets in het iets
ontkiemt het niets zich
wortelt
zet zich vast
en laat weer los
zich ontplooiend tot
een volledigheid van zijn
ik en de wereld
de wereld in mij
vervloeiend in kosmos
waar god geldt
mijn eigen god
de ik-god
en gebod niet is
rechten en plichten
regels en wetten
hun norm van bestaan
verliezen

(1976)

zondag 10 juni 2007

waakzame droom

mijn oor
te luister leggend
ogend naar de tijd
die geleidelijk voorbij gaat
in een driedimensionale ruimte
waar het transcendente vierde
besloten ligt
sluimerend
in de waakzame droom
van luister en zien
vertrouwend
in onbeperkte mogelijkheden
van groei
de evolutie der tijd
ongenaakbaar
en tevens aangetast
door destructie
weg
holistisch nu

(1976)

donderdag 7 juni 2007

kracht

                                                        deez' breed stenen muur
                                                     aarden wallen gracht ziet mijn
                                                            rots in de branding

vrijdag 25 mei 2007

totaalbeeld

geur van groeiend gras
blik op bloeiende bomen
met hier en daar
een lichtende lucht
maken dit geheel
totaal

(1976)

zaterdag 5 mei 2007

i.m. ome Jacob

ZIJ DIE STERVEN GROETEN U                  5 mei 2007

Heden -op bevrijdingsdag- is overleden na een korte hevige doch dappere strijd onze vriendelijk fluitende vogel Ome Jacob

Korte biografie:

Op 14 september 2001 tegen zonsondergang zat er een vreemde snuiter dodelijk vermoeid op de vensterbank bij het open raam van de keuken en vroeg asiel aan. De stumper was zo uitgehongerd dat hij het aangeboden brood aanpakte en de sesamzaadjes eraf pulkte. Na enige dagen kwam hij bij.
Ome Jacob heeft hier bijna zes jaar gewoond. Hij zat altijd op de keukenkast die hij zelf had uitgezocht en heeft zich al die jaren gedragen zoals het een gast betaamt: bescheiden en zich aanpassend aan de regels van het huis. Eigenlijk had ik op wat meer uitwisseling gehoopt, een wat affectiever contact maar wat er niet inzit, komt er niet uit. Hij was getraumatiseerd en gefrustreerd.
Ome Jacob was een heertje. Klein en gedrongen en keurig in het blauw bevederde pak met verticaal streepje. Gezien zijn temperament al flink op leeftijd, misschien zelfs hoogbejaard.
Hij was enigszins manisch depressief: een Jacobje lacht, Jacobje huilt.
Hij zong de ene dag het hoogste lied om de volgende dag in treurnis en melancholie te verzinken. Als zijn etensbakje leeg was, vloog hij rondjes door de keuken.
Veertien dagen geleden vond er een metamorfose plaats. Ome Jacob kwam van zijn kast af en ging plotsling uit het voederbakje van grote Jacob eten dat op de vensterbank stond. Voor het eerst at hij van de appel en banaan die hij voorheen versmaadde. Dit alles werd door grote Jacob gedoogd. Een corrigerende zachte pik van de Panamees gaf ome Jacob het signaal niet al te vrijpostig te worden. Jacobje pendelde sindsdien van de vensterbank naar de bodem van zijn kooi en weer terug. Een uiterst merkwaardig gedrag. Op vrijdagavond rondom acht uur -na een heftig scharrelend geluid- was het stil... doodstil...

Ome Jacob
je eigenheid was uniek
jouw gekwetter zullen we node missen
je bent onvergeetlijk


hij is in alle stilte en in kleine familiekring begraven








vrijdag 23 februari 2007

gek

de geestelijke
vergat zijn monnikskap die
op de schoorsteen stond


 

zaterdag 17 februari 2007

bezinning

rondom mij
is het kalm
in mij
is het stil
helend
na de tijd
van toen
de massa
de grauwheid
het vertoon
en vermaak
ik vind het best
maar laat mij
met rust

(1976)

eenvoud

                                                                   het is zo simpel
                                                            samen lachen en leven
                                                                   je eigen wereld

mijn postuum

Hoe zou mijn eigen begrafenis er uitzien. Daar heb ik een beeld bij. Mijn dochter heeft weleens vaker gezegd dat ik dat op schrift moet stellen. Laatst hadden we het nog uitgebreid over euthanasie gehad. Wanneer leven teveel lijden wordt, zou ik wensen dat er een eind aan zo'n leven komt. Uiteraard zou ik nooit dat vreselijke bejaardentehuis in willen. Liever een spuitje om voor altijd te slapen en nooit meer te ontwaken.
Opgebaard wil ik niet worden, geen poppenkast kijken maar liever de levende herinnering houden aan wat ik ooit geweest ben. Ik wil intact begraven worden dus geen orgaandonaties of dance macabre of andere polonaise aan mijn lijk. Een kerkdienst is aan mij niet besteed, dat heb ik in mijn jeugd te vaak meegemaakt. Ik hou niet van dergelijke plechtigheden. Ik stel me mijn eigen begrafenis voor, eenvoudig maar wel met passie. Het liefst in mijn eigen tijgerdekbed-overtrek -een zogenaamde lijkwade- gewikkeld en zonder kist. Gedragen door mijn dierbaren en niet door de plaatselijke kraaien van het uitvaartcentrum. Zo mogelijk in een bonte stoet. De muziek zou bestaan uit het schitterende slotnummer van Henri Purcell: Dido en Aeneas.

Thy hand, Belinda, darkness shades me
On thy bosom let me rest
More I would, but death invades me
Death is now a welcome guest
When I am laid in earth
may my wrongs create
no trouble in thy breast
Remember me, but ah! forget my fate

Voor mij zouden geen rozen op mijn graf gegooid hoeven te worden. Helemaal geen bloemen maar wel een klein persoonlijk aandenken.
Breng daarna mijn geliefde Ihr Bild van Franz Schubert ten gehore, niet te vergeten Wish You Were Here van Pink Floyd, om uiteindelijk af te sluiten met It's only rock and roll but I like it van de Rolling Stones. 
Zet geen grafsteen op mijn graf maar een kei of een boomstam met ingekerfde bliksemflits als symbool voor de snelheid van het leven dat ik genoten heb.
Geen -vreselijke traditie- koffie en cake. Suggestie: een glas wijn?
Dit alles zou slechts een optie zijn en geen regel. Zou er voor iets anders gekozen worden, ach waarom niet. Geen schuldgevoelens. Ik ben er dan toch niet meer bij en was alles niet aan verandering onderhevig?
Maar wie is dan dat ik, vraag ik me af. Wat blijft er van het bewustzijn over? Van de geest of van de ziel? Daar ben ik tot op heden nooit achter gekomen en ik moet bekennen dat ik het simpelweg niet weet. Zowel God als Dood zullen voor mij levenslang een eeuwige vaagheid blijven behouden tot het moment van het Grote Licht of de Eeuwige Duisternis is aangebroken. Misschien?




zondag 11 februari 2007

triviaal

met de kracht der keizer
de macht der mijter
neemt hij zijn staf in de hand
hij laat een wind
een stinkende walmende wolk stijgt op
een nevel van wel en wee
en in een zee van vree
doet zij wasemend de was
zij poetst
zij stoft
zij naait
zij kookt
thuis, achter het fornuis
thuis, bij de buis
met veel geraas en weinig geruis
dartel en dekadent
keurig en kuis
kust zij het kruis
wij leven en lijden
de snelle slagen van ons hart
verraden ons geheim
verstild een storm
woedend in onz' ingewanden
razend in je donder
bezeten in je hoofd
lachend en zwetend
begerig ruikend en proevend
ziet zij een man
die man ziet een vrouw
ze zien elkaar zitten
of liggen
houden elkander vast
of laten elkaar vallen
of hangen zich aan elkaar op
verbinden zich
en ontbinden dan weer
een bescheten volk
van hoop en wanhoop
van geloof en ongeloof
van vertrouwen en wantrouwen
van waarheid en onwaarachtigheid
op deze aard
waar illusie in rook opgaat
waar een zon in het water schijnt
waar een lichtende lucht
een nieuw leven leidt
waar een duisternis der nacht
plaats maakt voor een nieuwe dag
ja daar...
ja daar...
voel ik
dat mijn hart klopt
mijn adem haalt
mijn bloed stroomt
mijn stof wisselt

(1976)

vrijdag 9 februari 2007

de zaterdagkrant

Op zaterdag koop ik altijd, speciaal voor de crypto, het Parool.
Er kan een gevoel van ultiem genoegen door mij heen stromen als ik zoals gewoonlijk het cijfer tien heb gehaald. Dat betekent namelijk geen fouten en alles opgelost. Zo'n crypto werkt verslavend en obsessief. Uren turen naar verborgen inhouden.
Alle mogelijke om- en beschrijvingen bestormen mijn brein om doorgaans niet-chronologisch tot het gevonden woord te komen. Zo'n crypto jaagt me soms bijzonder op kosten en wel te verstaan: de telefoon. Als ik er echt niet meer uitkom bel ik eerst mijn vrienden en kennissen. Ik zal en moet oplossen, versmelten, syncretiseren in een amalgaan van goud en zilver waarbij de cryptogrammer een bijna alchemistische daad verricht en daardoor een diepere synthese bereikt door opvattingen, meningen, gedachten, waardeoordelen en dergelijke te keuren in een smeltkroes van ellende.
Vandaar dat ik een wandaad bega door, tot het uiterste gedreven, de naam van de winnaar van de vorige crypto op te zoeken in het telefoonboek als ik nog niet het beoogde resultaat heb bereikt. Na me onmiddellijk te hebben aangemeld als: zwaar gefrustreerde crypto-oplosser die net de laatste twee of drie woorden niet kan vinden. Pure radeloosheid, bijna tot zelfmoord gedreven.
Een echte cryptogrammer herkent dit probleem en hij zal je die vrijpostigheid en inbreuk op zijn privacy niet euvel duiden. Bovendien zal hij niet bijzonder onder de indruk van deze stalkers-neiging zijn. Sterker nog: hij zou het zelf ook gedaan hebben, hoor ik dan vaak zeggen.
Vandaag is mijn zaterdag verpest. De crypto staat niet in die kut krant. De zoveelste blunder van het Parool: misdrukken, zet- schrijf- taalfouten. Een grote ergernis.
De rest van de krant gebruik ik als w.c.papier. Ik veeg er mijn reet mee af.