zaterdag 10 november 2007

trauma


Je leek wel een mager gevild konijn toen je geboren werd, heb ik mijn oudste zus regelmatig horen zeggen.
Wat had ik me ontheemd gevoeld, destijds. Ik was vier jaar en liep op een kwade maandagochtend in januari argeloos aan de hand van mijn moeder naar het Amstelstation. Het was koud en het vroor en voor het eerst zat ik in een trein wat op zich al een bijzonderheid was. Alles was grauw en kaal om me heen. We gingen naar Utrecht en daarna met de bus naar Zeist. Ik wist nog niet waarom want in die tijd, in tegenstelling tot nu, werd je helemaal niets uitgelegd als kind maar ik voelde dat er iets niet klopte.
Mijn eetprobleem -ik walgde van voedsel- was de reden dat ik op mijn vierde jaar in een koloniehuis werd gestopt. Zeven weken, om bij te komen. Daar zouden ze me wel leren eten en zou ik van mijn stadse bleekneus afkomen. De boslucht zou goed voor me zijn. Ze hadden uiteraard het beste met me voor. Gezien eerdere omstandigheden, mijn moeder was zwanger van mij tijdens de hongerwinter, was ik er slecht aan toe toen ik werd geboren. Flink ondergewicht, darminfectie en weinig overlevingskans, had de dokter gezegd tegen mijn ongeruste ouders. Grote geestelijke taaiheid, zei hij een jaar later toen ik reeds op de aardkloot rondkroop. Tegen haar gewoonte in was mijn moeder buitengewoon zwijgzaam onderweg.
We moesten naar Het Laantje zonder Eind. Zuster Bos heette het hoofd van koloniehuis Bethanie. Op het eerste gezicht stond ze me tegen. Een eng mens, koude vissenogen en een vinnig gezicht, lang en mager, in een wit uniform gestoken. Een klein kapje op het hoofd met daar onderuit het haar in een netje samengebonden tot een knotje in haar nek. Een wrat met een paar grote haren op haar kin verbouwde haar gezicht tot een heksenmasker.
'U moet maar meteen gaan anders is het afscheid zo zwaar', zei ze met strenge blik tegen mijn beduusde moeder.
Mijn moeder stond er, haar tranen wegslikkend, verslagen bij. Ik zag de pijn in haar ogen.
'Dag kind', prevelde ze.
Daar ging ze, mijn steun, m’n toeverlaat, degene die ik het meest vertrouwde in mijn korte leventje... weg....
Het werd zwart om me heen, ik bleef achter in een gevangenis van verlatingsangst. Waarom gebeurde dit? Wat had ik misdaan? Dit was toch niet mijn keuze. En omdat ik de hele boel bij elkaar gilde en er geen land met me te bezeilen was, werd ik gelijk in bed gestopt.
'Om bij te komen', zei Bos. 'Wie niet horen wil, moet maar voelen', was haar motto.
Uiteraard was ik onhandelbaar en werd continue van recalcitrantie beschuldigd. Niemand kon voelen wat er zich werkelijk afspeelde achter die muur van verzet. Ik voelde me verschrikkelijk in de steek gelaten en verraden, zo ontzettend eenzaam en verdrietig, zo verscheurd.
Op een avond zat ik met alle bleekneuzen om een lange tafel geschaard voor de avondmaaltijd. We zouden koolraap eten. De weeë geur die door het huis hing had er al voor gezorgd dat mijn keel op slot zat. De koolraap lag als patates frites gesneden op mijn bord. Dooie vingertjes, hoorde ik mijn vader, die een absolute aversie tegen dit eten had, in gedachten zeggen. Het enige wat me te doen stond, was de inhoud van het bord onder de tafel gooien.
Al gauw werd duidelijk wat er gaande was, de boosdoener was snel gevonden want je verrader sliep niet.
Zuster Bos, dat enge mens, kwam met een onheilspellend gezicht dreigend op me af en sleurde me van tafel, gaf me een lel om mijn oren en sleepte me vervolgens mee naar de keuken. Daar probeerde ze alsnog een stuk koolraap in mijn mond te proppen. Vervolgens spuugde ik het even snel naar buiten en allang straal misselijk kotste ik de inhoud van de hele dag uit, zo over haar net gestreken uniform. Razend was ze. Over de knie, met de vlakke hand op mijn blote billen en onmiddellijk naar bed want dat deed je met stoute kinderen. Huilend en ziek van ellende snikte ik me in slaap.
De volgende dag moesten we een wandeling maken door een eindeloos groot bos. We waren met een groep van ongeveer twintig kinderen en een leidster. Ik had nogal last van diarree. Na vijf minuten gelopen te hebben kreeg ik vreselijke aandrang. Ik zei dat ik moest poepen maar dat mocht niet.
'Wachten tot we weer thuis zijn', was het antwoord. De druk werd hoe langer hoe groter en toen ik het uiteindelijk niet meer hield en het zweet me uitbrak, liet ik het in mijn broek lopen. De leidster was woedend. Had ik het niet op kunnen houden? Voor straf moest ik tien meter vooruit lopen en als voorbeeld worden gesteld wanneer je ’t plompverloren in je broek doet. Alle kinderen lachten me uit. Ik voelde me tot in het diepst van mijn ziel vernederd, beschaamd en gekwetst. Het verlangen naar huis was ondraaglijk en met geen pen te beschrijven. Een ziekmakend gevoel van heimwee. De duisternis van de nacht waarin je verzwolgen werd en dat steeds terugkerende misselijkmakende gevoel in je maag waardoor je helemaal niet meer kon eten. Mijn strot zat dicht en het brood werd naar binnen gestouwd, of je wilde of niet. Dan weer kotsen, pak op je kont en voor straf naar bed. Eenzaamheid, gevoelens van verstikking: huilen, krijsen, boosheid, verdriet, frustratie...
Voor mij hebben 'de bossen nooit meer gezongen'. Tot op de dag van vandaag zou ik het liefst met een kettingzaag alle bossen te lijf willen gaan, op een paar oude eiken en beuken na. Knotwilgen in een weiland langs een sloot die doen me wat, of een eenzame cypres op een helling. Wouden van dennenbomen of berkenbomen daar word ik erg triest van. Voor mij is Finland niet weggelegd. Geef mij maar La Mancha in Spanje: eindeloze vlaktes met vele vergezichten, of ons eigen Nederlandje met zijn vele polders.

* eerder gepubliceerd als zevendelig gedicht: 

1 opmerking:

  1. Es, ik begrijp je trauma! Ongelooflijk dat dit ooit heeft mogen bestaan.

    BeantwoordenVerwijderen