Posts tonen met het label essays. Alle posts tonen
Posts tonen met het label essays. Alle posts tonen

donderdag 21 mei 2020

verrijzenis


Opa Olivier was geen verliezer. Hij had zijn leven gestreden voor God, Volk en Vaderland. De strijd tussen recht en onrecht was zijn stokpaardje.
Ik jaag farizeeërs, schriftgeleerden en huichelaars mijn tempel uit, was zijn veel gehoord adagium. Daarmee gaf hij te kennen: wees oprecht, draai er niet omheen.
Hij had een hekel aan schijnheiligheid en haatte hoogmoed en arrogantie. Was hij het slachtoffer van zijn hoge leeftijd geworden waar werkelijkheid en verbeelding door elkaar heenliepen of was hij een ziener?
Opa Olivier liep doorgaans op een schoen en een slof. Hij was de held van Huize Sint Petrus. Hij had de respectabele leeftijd van 105 bereikt en had als oudste bewoner privileges verworven. Opa Olivier waande zich het eeuwige leven en zag zich als Gods Zoon.
Op goede vrijdag ging ik naar het bejaardentehuis. Daar zat opa Olivier met de doornenkroon op zijn hoofd, Christus Zelf te wezen. Hij had twaalf oude mannen om zich heen verzameld.
Aangenaam, de bende van twaalf mijn apostelen, zei hij met enige stemverheffing. Hij stond erop om die middag aan het kruis genageld te worden. Dan zou hij als lam Gods de zonde van de wereld wegwassen, had hij gepreveld. De mensheid zou zonder gewin of verlies voortgang maken. Als hij zou overlijden, moest men hem in doeken wikkelen en zou zijn begrafenis in aanwezigheid van zijn engelen -de bejaarden- moeten plaatsvinden, had hij verder gemompeld.
Alles in het juiste midden, opa? vroeg ik.
Alle hens aan dek, fluisterde opa Olivier die bijna verdronk in de oceaan van het  leven.
Tot ziens bij de wederopstanding, waren zijn laatste woorden.
Met Hemelvaart is hij ten hemel gestegen.

zondag 10 juni 2018

aan de bridgetafel

Dat bridgen niet zomaar een kaartspelletje is, weet iedereen en dat het niet alleen door notabelen en theetantes wordt gespeeld is ook inmiddels duidelijk. Bridge is een denk- en geheugentraining en eigenlijk geschikt voor een ieder die z'n grijze hersenmassa wil scherpen. Het bijzondere van bridge is de ontmoeting met vele mensen van divers pluimage. Van professor tot taxichauffeur, van kunstenaar tot kantoorklerk, allen met hetzelfde doel.
Een verhandeling over het bridgen is niet zo interessant voor de niet-bridger, graag zou ik het willen hebben over het gedrag aan de bridgetafel.
Bridgen doe je samen met een partner. Uit ervaring kan ik alvast zeggen dat het niet aan te raden is je eigen man/vrouw, vriend/vriendin als bridgepartner uit te kiezen. Menig huwelijk heb ik zien stranden of op een echtscheiding uitlopen. Men permitteert zich doorgaans binnen de huwelijks- of vriendschapseigenheid een vitten en verwijten waar de respectievelijke gade niet goed van wordt en vice versa met als gevolg twee chagrijnige kijvende koppen aan tafel.
Het bridgen zelf bestaat uit twee delen: het bieden en het spelen.
De clou van het bieden is om goed te kijken en luisteren naar wat je partner en de tegenstanders -in een codetaal- te vertellen hebben. De slechte bieders zijn dan ook diegenen die zich verliezen in een egotrip en uitsluitend oog hebben voor hun eigen hand.
Tussen de bedrijven door vind ik het interessant om ook mijn medebridgers gade te slaan waardoor het nodige mij is opgevallen. Een veelheid aan houding, gedrag en manifestatie. Als de concentratie toeneemt en men verdiept is in het spel heb ik de volgende geluiden en bewegingen waargenomen:  fluiten tussen de tanden, sissen, diep zuchten, roffelen met de vingers op tafel, hijgen, blazen, binnensmonds mompelen, op de stoel verschuiven, rechtop gaan zitten, gesticuleren en al vingerwijzend tellen, briesen, trillen, beven.
Hoewel een pokerface voorwaarde is, is het tegendeel vaak de werkelijkheid. Overeenkomstig het spel lees je doorgaans op de gezichten van menig speler wat ze in hun handen hebben: goede of slechte kaarten.
Er zijn snelle en trage spelers. De wikkers en wegers brengen de bliksemspelers vaak tot wanhoop vanwege hun getreuzel.
Ikzelf verlies mijn concentratie als er te lang wordt nagedacht. Tot slot de stoorzender oeverloos nakaarten, daar zullen we het helemaal maar niet meer over hebben.


cartoon Peter van Straaten

dinsdag 3 april 2018

het voorjaar is er weer...

Opvallend is het lyrisch beschrijven van de lente door een aantal troubadours, dichters en nieuwslezers. 
De bijtjes en bloempjes, lammetjes en kalfjes staan in hoog aanzien en menigeen kweelt over het voorjaar waar momenteel al enigszins iets van te merken is.
Het eerste kievitsei is onlangs in Zuid-Holland gevonden.
Rondom mij hoorde ik zeuren over het slechte weer en de koude vroeg vallende Paasdagen. 

Met z'n allen hadden ze de uitpuilende terrassen willen bestormen om vooral geen zonnestraaltje te hoeven missen of met grote getale de overvolle stranden bezetten en zich verdringen om de beste plek. Een bungalow huren bij sporthuis Centrum zat er ook al niet in. Neen, gefrustreerd verveelde men zich met Pasen voor de buis en achter de kachel.

Ook ik trok vandaag de natuur in met de gedachte heerlijk door de polder te rijden om ergens op een rustig terras te genieten van mijn drankje en een sprankje zon.
Ik had het kúnnen weten.
Wielrenners zijn massaal uitgetrokken om hun extra vetpondjes eraf te racen. Met een idioot harde vaart, soms vier man zij aan zij, komen ze je tegemoet of versperren je de weg met hun gladjanus broekjes strakgetrokken in het kruis. Ik heb al zo'n hekel aan uniform maar deze achterlijke uitdossing is helemaal niet te verteren. In het ergste geval blijf je achter zo'n reet plakken en gaan ze met de grootste moeite aan de kant.
Ook de hardlopers laten van zich weten. Rennend, huppelend en hijgend in het zweet banen zij zich een weg door het land. Sportief Nederland is weer volop in beweging.

De lente is niet mijn favoriete jaargetijde.
Ik hou meer van het najaar, het verval. Daar waar de meeste mensen depressief worden, maakt het mij juist beschouwend en geeft me een overmaat aan inspiratie. De vlagen en stormen na een drukkende warme zomer zijn bevrijdend. Ik kijk graag naar de vallende bladeren en kaal wordende takken. Opvallend is dat de meest ingrijpende gebeurtenissen in mijn leven zich hebben afgespeeld in de herfst, zowel de hoogte- als dieptepunten. Van verliefdheid, prille liefdes en vernieuwing tot scheiding, verlies en dood.
Ook de winter is niet te versmaden. Helaas mis ik de koude winters van vroeger. Ik kan me herinneren dat ik als kind met mijn vader over de Amstel schaatste bij twintig graden vorst. Dikke kranten onder onze truien tegen de kou...

zondag 23 april 2017

kunst

Wetende dat kunst een subjectief begrip is, raak ik niet gauw onder de indruk van wat men als zodanig bestempelt. Kritisch ben ik in m'n beoordeling. Mooi of aardig kan ik iets vinden maar in dit geval bedoel ik een hoger plan: niet geraakt maar gegrepen worden door een diep gevoel, een flits van ademloosheid of noem het verliefd zijn.
Op het scherp van de snede flirt ik graag met duistere fenomenen oftewel de donkere kanten van de menselijke ziel. Verval en vergankelijkheid zijn door mij in vele toonaarden bejubeld.
Toen ik onlangs een videofilmpje van Marilyn Manson zag in zijn Sweet dreams had ik zo'n moment. Beelden van androgyne aard en gothic-invloeden die mij onmiddellijk aanspreken: zwart, duister en van ongelooflijk excentrieke schoonheid.
In deze shockrock gingen hem al enigen voor zoals Ozzy Osbourne -inmiddels halfseniel- en zijn, in de jaren zeventig band, Black Sabbath en de rockzanger Alice Cooper. Ook David Bowie met zijn extravagante performances en vele imago's was destijds een intellectuele vernieuwing binnen de rock scene. Beïnvloed door avantgarde en drama creëerde hij een ongekende eigenheid.
Op gebied van de beeldende kunst is het niet veel anders. Door de fantastische en surrealistische beelden van 
H.R.Giger kan ik evenzo 'gegrepen' worden, vooral die uit zijn boek Necronomicon.
Zo blader ik geregeld volgaarne door mijn 711 pagina's tellende Alchemie & Mystiek om de vele verfijnde plaatjes en schilderijen van onder andere William Blake te bekijken.
Wat theater betreft, kun je me niet blij maken met een toneelvoorstelling omdat ik het vaak te statisch vind. Hou meer van drama, vrije expressie, mime tot Commedia dell'arte of dáár waar aan 'het toeval' wordt overgelaten.
Gedichten mogen van mij doorspekt zijn met zwarte romantiek waar melancholie, vergankelijkheid, dood en leven centraal staan. Bloempjes, vlindertjes en bijtjes behoren naar mijn smaak in een poëziealbum thuis.
Ook een goede poetry slam op z'n tijd is niet te versmaden zolang het met verve plaatsvindt.
In de literatuur prefereer ik psychologische romans. Het reizen door de geest met verkenningen en grenzen zoeken door het menselijk bewustzijn.
Graag identificeer ik mij met de ik-figuur. Pas wanneer ik het boek niet meer opzij leg en in een adem uitlees, weet ik dat de passie is toegeslagen.

donderdag 21 juli 2016

de barmhartige Samaritaan

Dan loop je naar de kassa van de grootste supermarkt van Nederland en zakt er voor je neus een oudere man door zijn benen. Niet verwonderlijk met deze tropische temperatuur. Wellicht door de hitte bevangen en dan in de op volle toeren draaiende airco krijg je het al snel te pakken. De man ligt er vreemd verwrongen bij, een lijkwit gezicht met angstige ogen.
Zo goed en zo kwaad als het gaat, ondersteun ik hem. 
Aan de andere zijde heeft een jonge man zich over de getroffene ontfermd en hij ligt in onze armen. Inmiddels is het AH-personeel gemobiliseerd, de ambulance wordt gebeld, water aangedragen en een doosje druivensuiker opengescheurd. Dan komt er een bureaustoel aangerold, het duurt even voordat deze in de laagste stand staat en vervolgens proberen we hem op de stoel te hijsen. Onmiddellijk zakt hij weer door z'n benen maar bij een tweede poging is het gelukt. Hij zit en komt weer bij, verontschuldigt zich voor 'dit ongemak' en ik verzeker hem dat het iedereen kan gebeuren en hij zich geen zorgen hoeft te maken.
De overdracht is geschied, de oude is omringd en gestut door het inmiddels aangestormde publiek, mijn taak zit erop, ik reken af en loop naar de deur. 
Dan word ik tegengehouden door een AH's-personeelslid en krijg een bos rode rozen in mijn handen gedrukt vanwege mijn bijstand in nood. Nu schreef is al eens eerder dat (zie:) bloemen niet aan mij zijn besteed. Maar deze verdomd sympathieke geste kan ik niet negeren.
Als ik weer bijna thuis ben gekomen kijk ik eerst of ik een aardige buurvrouw/man in de buurt zie om haar of hem spontaan het boeket te overhandigen maar op dat moment is er niemand te bekennen in de straat. Om te leuren met een bos dooie dienders heb ik ook geen zin en eenmaal op mijn woonadres haal ik dan maar een oude vaas -nog van mijn ouderlijke huis- uit het stof en schik tegen wil en dank het boeket.

                                       

Moraal van het verhaal: ben blij weer eens iets voor mijn medemens te betekenen. In ieder geval heb ik een aflaat verdiend en dat is in deze tijd niet niets.

***

zondag 5 juni 2016

nog meer muizenissen

Ik vind muizen lieve diertjes. Mijn gastvrijheid is niet zo groot en onverwachte gasten kunnen me al helemaal gestolen worden. In een oud huis, zoals ik heb, trekken muizen zich daar echter niet veel van aan en vereren me regelmatig met hun bezoek. Geheid dat je zo'n grijs monster weg ziet schieten.
Soms moet je paal en perk stellen wanneer je weer eens gescharrel in de hoek van de kamer hoort om de geur des doods te vermijden. Van een muizenklem hou ik niet. Het is me een keer gebeurd, in een ver verleden, dat zo'n muis met z'n poot in de val zat: muis in huis 
Gisteren was het weer zover. Muis gevangen in een muisvriendelijke val. Ik spreek muis bemoedigend toe en vertel dat hij met een kwartier uitgelaten wordt. Daar gaan we dan... richting park.
Nietsvermoedend sta ik in het veelbelovende plantsoen des onheils, muis rent eindelijk bevrijd drie meter door het veld en een kauw vliegt uit de boom om met muis te spelen. Muis rent nog harder en oh schrik verderop een onvoorziene loerende kraai en een ekster, deze laatste, de snelste van het trio, schiet vanuit een es linea recta op de muis af, laat zich op mijn net verworven vriend vallen en ik zie nog net -tot mijn leedwezen- de vogel met mijn huismuis de lucht in vliegen.

woensdag 2 maart 2016

de charmant geslepen jongeheer

Enige keren per week word ik aangesproken door een colporteur van een willekeurige krant. Inmiddels is de inhoud van een heden ten dage dagblad erbarmelijk als ik denk aan de vele en grote bladvullende advertenties, ruimte verslindende foto's en de 'frisse' verjongingen en vernieuwingen. Bovendien is de grote hoeveelheid sportitems niet te verteren.
Vorige week was het weer zover. Een charmant geslepen jongeheer, met bevroren glimlach om de lippen, zwaait vriendelijk met het dagblad voor mijn neus en voor ik het weet heb ik een exemplaar in mijn hand. Een gratis krant is natuurlijk nooit weg ook al omdat hij, na het doorlezen, dienst doet als onderlegger voor Thor en Henkie (alias Sjako), de papegaaien.
Na de bekende vraag of ik weleens de krant lees en wat ik ervan vind, komt het onvermijdelijke moment van een voordelig abonnementsvoorstel. Niet dat ik van plan ben om nog maar een cent uit te geven aan een krant die verworden is tot Telegraaf, Privé of Libelle, laat ik de charmant geslepen jongeheer zijn verhaal doen en zeg tussen de bedrijven door wat ik ervan vind.
Wanneer ik naar de datum kijk, zie ik dat ik met een krant van twee dagen geleden zit opgescheept. Als ik daar een opmerking over maak, krijg ik van de charmant geslepen jongeheer een 'oh sorry' te horen en dat ik zo direct de krant van vandaag meekrijg.
Uiteindelijk weet ik het gesprek te beëindigen en zeg dat ik weer verder moet. Ik wijs hem nog even op de beloofde krant van vandaag.
'Grapje', zegt de charmant geslepen jongeheer.
Ter plekke blijf ik staan en vertel hem dat ik bij nader inzien toch wel geïnteresseerd ben in een abonnementje. In één oogopslag tovert hij met stralende blik zijn notitieboekje tevoorschijn om mijn naam en adres te noteren.
'Grapje', grijnslach ik, de charmant geslepen jongeheer met een dubbel bevroren glimlach achterlatend.

***

maandag 2 maart 2015

het laatste woord

Archaisch taalgebruik kan me nog steeds zeer bekoren.

Wanneer ik lees (of hoor) dat iemand een waanzinnig malse biefstuk op zijn bord heeft liggen of hysterisch lekker heeft gegeten, slaan bij mij de taalstoppen door. 
Ik kan een gevoel van walging niet onderdrukken bij het lezen van een dergelijk vocabulair.

Op zaterdag schrijft de opvolgster van Johannes van Dam in Het Parool haar wekelijkse rubriek: Proefwerk. 
Het was onlangs (21/2) wederom zo tenenkrommend dat ik onderstaande ingezonden brief stuurde naar Het Laatste Woord van genoemde krant.

***
Hoewel ik een liefhebber van lyrisch proza ben, schiet de tekst van Hiske Versprille me menig maal in het verkeerde keelgat.
Het water zou je toch in de mond moeten lopen tijdens het lezen van zo'n proefwerk maar als ik de woorden tot mij neem: ...

Het gerecht van gul kalfsmerg met mollige kokkels en bloemkoolpuree (€15) is zo extreem comfortabel en weelderig dat ik er waarschijnlijk in was gaan liggen als niemand had gekeken: het is een dodelijke combinatie waaraan ik nog iedere dag een beetje verliefd terugdenk. Mammie, wat lekker.

... krijg ik spontaan last van braakneigingen.
Hierbij heb ik gegeten en gedronken!

***

dinsdag 4 november 2014

euthanasie


Vrijheid, onafhankelijkheid, zelfstandigheid, met andere woorden de volledige autonomie in handen kunnen hebben en houden, zijn voor mij voorwaarden voor een gelukkig bestaan om het leven ten volle te genieten.
Nu zul je worden overvallen door een hartinfarct, hersenbloeding, een ongeluk of een voortijdige dementie, dus het enige uitzicht is je geranium en aangewezen zijn op je kinderen, kennissen, vrienden, een goedwillende passant of de willekeur van de mantelzorg.

Een beeld van weerzin en walging.

Mijn voorkeur gaat uit naar een levensbeëindigend pilletje of shotje, maar nee, daar is voorlopig geen sprake van. De overheid denkt er anders over.
Pas bij 'ondraaglijk lijden' of een ongeneeslijke ziekte -en dan in de laatste fase van het leven- zou de genade kunnen toeslaan: euthanasie.
(Trouwens wie beter dan ikzelf kan en mag uitmaken wat 'ondraaglijk lijden' is).

Wat moet je dan: van het dak afspringen? Voor de trein? Verhanging? Pistool op je hoofd? Of een langzame gruweldood van versterven?

Wanneer de verpleegtehuizen toch gaan inkrimpen, de bejaardentehuizen binnenkort niet meer bestaan, gooi dan alsjeblieft de pil van Drion in het verzekeringspakket of legaal in de verkoop en een ieder neemt deze tot zich wanneer zijn of haar tijd rijp is.

Bovendien lijkt me dit de ultieme oplossing voor het grote loerende gevaar: de grijze golf.

maandag 9 juni 2014

de overwerkte docent



Het leraarschap is gewis geen sinecure en nog onderschat op de koop toe. 
Bijvoorbeeld: hij/zij geeft 'maar' vijftien uur per week les aan een klas losgeslagen bijdehante over assertieve pubers. Weet dan maar eens orde te houden en de oren gespitst. Het voorbereiden en nakijkwerk van enige uren erbij opgeteld kom je al rustig op een werkweek van tegen de veertig uur.
Vragen ze je op school ook nog eens om in te vallen voor een zieke collega, een tijdelijk mentorschap over te nemen, of je in te zetten voor een pauzewacht in plaats van buitenaf de vele vrijwilligers, die staan te dringen, te integreren. 
Dat is dan nog niet alles: meegaan op werkweek, tafeltjesavonden, bijscholing, nascholing, functioneringsgesprekken, ouderavonden met ouders -die je tot de orde moet roepen- vergaderingen en open dagen op je vrije zaterdag. 
Dan moet je ook nog spelen voor politieagent, pedagoog, psycholoog en je overwerkte collega's mentaal ondersteunen. 
Zie dan maar eens bevlogen te blijven en je motivatie niet kwijt te raken. 
Dat leraren en masse geen burn-out krijgen is me nog een raadsel.

Het volgende verhaal kwam mij laatst ter ore.
Overwerkte docent: 'ik heb laatst bijna een boswachter vermoord.'
Hij liep door het duin om eindelijk te ontspannen na een drukke werkweek, ome boswachter houdt hem aan en vraagt naar zijn duinkaart. 
Overwerkte docent: 'Die heb ik niet bij me.'
'Dat kost u dan 150 euro meneer,' is het vrolijke antwoord.
'Óf u ligt dadelijk onder de groene zoden óf u rijdt stante pede weg,' repliceert de overwerkte docent.
'Dat is een bedreiging,' zegt de koddebeier en fietst er snel vandoor.
Tien minuten later hoort de overwerkte docent een helikopter naderen, hij springt in de eerste de beste doornenstruik om zich te verstoppen, gelukkig geen brandend braambos, en wacht met kloppend hart in de keel af. 
Psychiatrische instelling Duin en Bosch is pal in de buurt. De overwerkte docent ziet zich reeds worden afgevoerd in een dwangbuis en houdt zijn adem in.
Nadat het donderend geraas van motoren is verdwenen en de kust veilig lijkt, spoedt de overwerkte docent zich huiswaarts.

zondag 9 maart 2014

eloge

Wegdommelend droom ik dat ik in een vuurtoren woon en het vergezicht over het wad is magnifiek. Het rustige water weerspiegelt de volle maan als een glanzende streep. De zilveren schijn hypnotiseert me. Rondom mij staat het vol bloemen. Hoe kan ik nou zoveel bloemen binnenshuis verzameld hebben, denk ik, die dingen laat ik toch liever in de natuur staan. Het bloemenveld breidt zich uit. Ineens staan er anemonen en lelies in zee. Het fluitenkruid schiet omhoog. Radijzen zo groot als meloenen, pompoenen alom en het riet staat manshoog.
Ik zie een oude eik, een stevige knotwilg en een rijzige es waarin een papegaai zit. Hij heeft de es, die de vorm van een pentagram heeft, uitgezocht als klimboom en hij eet tuinbonen. Ik zie dat hij de bonen pelt om de bittere smaak er vanaf te krijgen.
De zee maakt danspasjes rondom dit eldorado.
Dan vindt er een metamorfose plaats. Het water trekt weg en komt met gezwinde spoed weer terug. Eb en vloed wisselen elkaar af in een minimum van tijd. Jan-van-genten, zeemeeuwen en albatrossen krijsen hun hoogste lied. Een school haringen zwemt voorbij. Zij zwaaien tot mijn grote verwondering met hun staarten alsof ze me begroeten. Ze springen omhoog en maken een salto in de lucht om vervolgens met veel kabaal terug te plonzen in het inmiddels woeste water. Er is er een die z’n tong naar me uitsteekt. Plots breekt er een storm los die allengs heviger wordt. Visnetten raken verstrikt in het zich neerbuigende riet en de winde woekert razendsnel door het struikgewas. Golven beuken tegen de vuurtoren en de rabarber boort zich als een heipaal door de deur. De es en de knotwilg buigen zich naar elkaar en fluisteren: daar gaan we dan. In de verte zie ik de alarmsignalen van een schip in nood. Vette zeepalingen vluchten sissend weg.
Vogels veranderen van kleur of transformeren in vleermuizen. Loerend naar de vissen, krassen de kauwen en kraaien elkander toe in hun duistere taal:
Kra kra... jij houdt van hoekig hè.
Jazeker, maar rondingen zijn ook niet te versmaden.
De zee geeft de zee neemt, roept de raaf.
Een oude uil, horend doof en ziende blind zucht slechts.
Voor mijn beslagen vensterraam staat een zeearend die mij gebaart op zijn rug te gaan zitten.
Door het grote tumult en watergeweld heen kan ik nog net horen hoe hij snerpt: Jij waterman, met jou is het water naar de zee dragen.
Ik hou me vast aan z’n lange verentooi, blij met zoveel erbarmen en we stijgen op. Ik hoor een jammerlijk gekraak en als ik omkijk, zie ik nog net hoe een vloedgolf mijn vuurtoren verzwolgen heeft. Een feeëriek lichtschijnsel kleurt de hemel.
Dit is het laatste oordeel, flitst het door mij heen...

donderdag 6 februari 2014

treiterschijf


Ik vraag me af wie er nooit of weinig last van heeft. Zo'n liedje dat in je kop zit met een tot uitentreuren herhalend melodietje.
Vaak zijn het fragmenten of het refrein die hoogtij vieren, dikwijls liedjes uit mijn jeugd en menigmaal hoorde ik het als kind mijn moeder zingen. Die aap in je hoofd, een treiterschijf, wil er maar niet uit.
Er schijnt zelfs een woord voor te bestaan, de zogenaamde oorwurm.

In die treiterhoek zit bijvoorbeeld Wim Sonneveld met zijn zij kon het lonken niet laten
haar emmertje met schuim en sop dat zag zij heel niet staan
zij struikelde en brak haar nek, 't was met haar gedaan...

Ik zal een jaar of vijftien zijn geweest toen mustapha regelmatig mijn transistorradiootje aandeed.
De eerste lichting Marokkaanse gastarbeiders had ons land betreden, het zogenaamde grote integreren was begonnen, zo meenden wij.
Corry Brokken zong:
onder de manen schijnen de platanen
wil ik jouw Sultan zijn, wees jij dan mijn Sultane
wat kunnen jou goud en juwelen schelen
in de Sahara kun je spelen met kamelen
... en dan krijgen we:
dat zegt m'n vriendje, Mustapha
hij meent het goed de snoes, maar ja
hij is van origine een Arabier
dat bier is best, maar 'k blijf toch liever hier
Vooral de laatste strofe kan behoorlijk treiteren.

De Zuiderzeeballade van Sylvain Poons weet ook van wanten:
jochie dat is een gelukkie, ik was dat prentje jaren kwijt en dan onophoudelijk voortborduren:
ik heb nou weer een heel klein stukkie
van die goeie ouwe tijd
eens ging de zee hier te keer
maar die tijd komt niet weer
zuiderzee heet nou IJsselmeer


zo'n heerlijke wals met die baaienrokken en het pikketanusie
hebben we er gelijk twee te pakken, nota bene Johnny's Jordaanwals met als treiterhoogtepunt:
we draaien weer rechtsom, links om
op die ouwe toffe wals uit de Jordaan


... en dat pikketanusie gaat er vanzelf wel in en ik mag hopen als de wiedeweerga er weer uit...

uit het leven gegrepen
deze van Farce Majeur kan ik beter verdragen maar kan dooretteren als ik niet oppas:
jaaaa, dat is uit het leven gegrepen
ja, dat is uit het leven een greep
het geluk is altijd met de lepen
ja, daar zit 'm nou net nou de kneep


Tot slot -dit was nog lang niet alles- de: vogeltjesdans
misschien wel de allerergste:
zoals vogels op een rij
zoals vogels op een rij
zoals vogels op een rij zo dansen wij


Zo gaat-ie-wel-weer. Je zult er mee moeten leven, heb ik me laten vertellen of heeft iemand hier een medicijn voor?!?

vrijdag 7 september 2012

geur des doods


Met het stijgen der jaren worden enige van mijn zintuiglijke functies wat minder. Het gehoor lijdt aan een familiaire doofheid. De middentonen kan ik slecht verstaan, een hoorapparaat stel ik nog even uit maar is niet onwaarschijnlijk op korte termijn.
Ook valt me op dat de leesbril niet meer los te zien is van mij. De letters worden onscherp.
De gevoelswaarneming middels de tastzin is er beter op geworden. Smaak heeft zich door de jaren heen verfijnd, aangezien ik nauwkeurig en selectief proef. Mijn reuk is analoog aan een speurhond, schijnt niet te willen verouderen en het zesde zintuig, de intuïtie, heeft zich in de loop van het leven sterk ontwikkeld.
Die reuk kan weleens tot excessen leiden.
De laatste twee dagen word ik overvallen door een smerige geur bij het betreden van de huiskamer. Naarmate de uren verstrijken wordt deze geur een stank, zo penetrant dat het niet meer mijn neus wil verlaten en de echo hiervan, ook buitenshuis, blijft hangen. Ik verdenk een dooie muis van deze lijklucht.
Al maanden lang heb ik last van muizen.
Thor en Henkie (alias Sjako) zijn nog zo gewaarschuwd dat zij geen huisdieren mogen houden, maar tevergeefs. In de nacht- en avonduren houden ze hen graag gezelschap. Er valt altijd wel een verloren zaadje te vinden en ze lopen gewoon over de zitstok. Ze voelen zich hier thuis, want schrikken doen ze niet meer. Soms schieten ze weg als ik van me laat horen maar komen twee minuten later weer terug.
Zoals eerder gezegd heb ik een hekel aan gif of een dodelijke muizenklem maar vang ze wel geregeld met een diervriendelijke val. De muis blijft leven en wordt een eind van huis weer vrijgelaten.
Allereerst maar eens zoeken naar de stank-boosdoener onder de penantkast.
In de lade liggen vele muizenkeutels en aangevreten papier. Ook hier en daar wat wolletjes. Ze hebben er duidelijk een nestje gemaakt maar verder geen muis te bekennen. Even verderop staat naast de beul van de houtkachel een als blokkendoos opgestapelde houtbult voor de komende winter.
Vanmorgen werd ik doodmoe wakker. In mijn droom heb ik de bult hout van ongeveer twee meter breed en een meter hoog lopen versjouwen op zoek naar het lijk. Verder onderzoek is noodzakelijk. Op mijn buik liggend snuffel ik centimeter voor centimeter de houtstapel af.
Tot grote opluchting ruik ik slechts hout en geen lijklucht. Naast de kachel staat een rariteitenkabinet. De geur wordt allengs sterker. Ja hier zal het zijn. Ik pak mijn zaklamp en zie daar tot grote vreugd en walging een grijs monstertje liggen in staat van ontbinding. Het is opa muis, de grootste en brutaalste, door mij Japie genoemd de laatste maanden.
Hij heeft een pracht van een begraafplaats uitgezocht en ligt met zijn kop naast een verdroogd rood roosje in een met aarde opgedekte bruine bloempot, naast een kattenkop en een in Ierland gevonden schapenschedel met mijn leesbril op. Een waterpijp met slang en een dennenappel versieren het geheel.

Japie, toen je je laatste uur voelde aankomen, heb je je afgezonderd. Een mysterieuze plek heb je uitgezocht om te sterven. Je bent een huismuis naar mijn hart.

woensdag 4 april 2012

uitgeblazen



De grote zaal van het Concertgebouw is geheel uitverkocht. Straks om half negen zal het spektakel plaatsvinden: een uniek optreden van het beroemde Duitse hout- en koperblazersensemble Horntoll met als Nederlandse gastdirigent Bas Bazuin.
Bazuins laatste concert was in Berlijn geweest. Hij vertelt me in de koffiekamer over de afgang van de steeds uit de toon vallende piccolo die beter vast had kunnen blijven zitten tussen de liftdeur. En dan die drie mobieltjes die tijdens de uitvoering afgingen. Nota bene van de orkestleden zelf. Het was een fiasco geweest. Later bleek dat het hele ensemble hem een warm hart had toegedragen. Vanavond zal hij het publiek eens even wat laten horen.
Buiten de traditionele hobo, fagot, tuba, fluit, hoorn en de nu goed geoefende piccolo, zijn er wat oudere blaasinstrumenten bij: de schalmei, een soort herdersfluit legt Bazuin uit en de kornet, een kromme hoorn. Als slotsolo de horlepijp met als klap op de vuurpijl de bekende horlepiep danseres Klarina.
Bazuins ogen gaan glimmen als hij haar naam uitspreekt en hij laat zijn cadeautje zien dat hij speciaal voor Klarina heeft gekocht, een prachtige robijnrode zijden sjaal. Je kan maar nooit weten. De laatste keer in Berlijn waren hem haar bekoring, verlokking en uitnodiging niet ontgaan. Hij was er niet op ingegaan. Vanavond zou hij zich willen overgeven aan haar charmes.
Rechtstreeks loopt Bazuin naar de orkestruimte.
Hoe kan het nou dat hij nog niemand van zijn blazers is tegengekomen, vraagt hij zich af. Waar zitten ze toch?
Hij loopt langs de directiekamer en hoort nog net het achtuurjournaal: Heden middag is het vliegtuig uit Berlijn met bestemming Amsterdam neergestort. De kans op overlevenden is gering. De inzittenden, het blazersensemble Horntoll…
Verdwaasd loopt Bas Bazuin weg. 
Klarina, mompelt hij met een brok in zijn keel.

vrijdag 30 maart 2012

magisch realisme


Ik vernam dat Marjolijn zelfmoord had gepleegd. Ze heeft zich verhangen, fluisterde men.
Aanvankelijk kwam ze op mij over als een lieve, aanhankelijke, enigszins problematische vrouw. Haar melancholieke geaardheid en trieste oogopslag gaven een droefgeestige aanblik van onvervuld verlangen. Ze liet haar hoofd en schouders naar voren hangen alsof ze een zware last te dragen had.
Toen ze de man van haar leven had ontmoet, trokken ze zich samen terug en kreeg ik de indruk dat ze zijn leven leidde. Bij toeval ontmoette ik haar onlangs na vele jaren en vertelde ze haar verhaal.
Na het overlijden van haar echtgenoot drong zich voortdurend de retorische vraag aan haar op wat de zin van het leven was. Het grootste deel van de dag hield ze zich bezig met eindeloos staren in de leegte. Soms kreeg ze nog flarden binnen van gelukzaligheid. Lange strandwandelingen, uitwaaien en samen met haar geliefde zich verliezen in het tumult van de aanstormende golven.
Lief en leed hadden ze met elkaar gedeeld. Urenlang konden ze samen genieten. Van het Concerto Grosso, Opus 6 no.8 van Corelli, zei ze, hun lievelingsmuziek of van een bijna volmaakte uitwisseling van gedachten en gevoelens of door zich gewoon in stilte terug te trekken. Zij met haar boek en hij met zijn doek.
Hun huis hing vol met zijn kunstwerken. Al zijn schilderijen gingen over dood en leven. Geregeld exposeerde hij met zijn magisch realisme en genoot van zijn roem.
Ineens werd zijn magie erg surrealistisch. In korte tijd veranderde hij van een zachtmoedig lam in een vreselijke weerwolf. Hij trok zijn schaapskleren uit. Aanvankelijk had ze zijn gedragsverandering niet in de gaten. Plotseling werd hij achterdochtig en jaloers. Hij ging haar controleren en wilde haar dingen laten geloven die niets met de werkelijkheid hadden te maken. Ze ging bijna twijfelen aan haar eigen waarnemingsvermogen. Zij raakte zowat in een identiteitscrisis. Hij betichtte haar van leugens en ging zich als de bedrogen echtgenoot gedragen. Dag en nacht claimde hij haar. Een keer moest ze hem van het politiebureau ophalen, men had hem 's nachts spiernaakt in het Vondelpark gevonden, volkomen verward en verdwaasd. Zijn manipulaties waren van dien aard dat ze nog amper werkelijkheid van  illusie kon onderscheiden.
Het onheil sloeg toe. Hij zette geen penseel meer op het doek. Vanuit een impuls liep hij met een vreemde blik in zijn ogen de tuin in. Hij trapte per ongeluk op de hark. De steel sloeg tegen zijn hoofd. Bloedend gleed hij onderuit. In het ziekenhuis werd onmiddellijk een hersenscan gemaakt. Hij was nog steeds buiten westen. In een waas hoorde ze de behandelend arts zeggen: Mevrouw, uw man heeft een tumor in zijn hoofd, zo groot als een kippenei.
De leegheid van het bestaan had haar in de greep. Zijn greep was er niet meer. Ze had hem verloren voor altijd.
Het leven had geen zin meer, voor haar.

woensdag 28 maart 2012

huisdieren


In het item  Herodes  schreef ik over mijn affectie voor vogels en katten. Iets dat helaas moeizaam in harmonie kan samenleven. Ik realiseerde me dat er nog wat ontbrak aan mijn verhaal.
Om te completeren onderstaand intermezzo.
Omdat ik de indruk had dat mijn kat Herodes toch wel zielig alleen en eenzaam leek te wezen, nam ik er een leuk speels jong katje bij. Het muisgrijze diertje Tapas kleurde mooi bij mijn cyperse Herodes. 
Vanaf dat moment ging Herodes op de kast zitten bokken en keek mij met verwijtende blik aan.
Tapas dartelde als hij de kans kreeg om Herodes heen, trok hem aan zijn staart en lokte hem uit zijn tent. Het gevolg was een arrogante kop en een corrigerende klap van mijn hartendief.
Ik dacht, dat went wel.
Twee weken later begon Herodes haaruitval te krijgen en ik betrapte hem op het leggen van een fikse drol in mijn klerenkast. Toen ik met hem naar de dierenarts ging om over dit merkwaardige gedrag te praten, vroeg hij mij als eerste of er de laatste weken iets veranderd was in huis.
Ja, de kleine Tapas geadopteerd waarop de deskundige mij adviseerde de goed bedoelde speelgenoot toch maar uit huis te zetten en een ander onderkomen voor hem te zoeken. Tapas eruit en Herodes van de kast.
De vrede was weer getekend en binnen een mum van tijd was Herodes de ouwe.
De behoefte aan uitbreiding schijnt bij een jong gezin te horen vandaar dat een hond op het verlanglijstje stond.
Uit Huizen werd bij een fokker een jonge Duitse herder gehaald met stamboom. Een greep uit de mythologie en Iros werd haar naam. De pup vertoonde vanaf het prille begin angstig gedrag. Was bang voor mens, dier en opwaaiend gebladerte en bovendien ook nog een angstpisser.
Mijn toenmalige buurman Hannes zei in onvervalst Jordanees accent: deze schijter wordt een angstbijter, waardeloze hond, weg met die angsthaas.
Toen ik de fokker confronteerde met de slechte koop, weigerde hij me geld terug te betalen maar ik mocht Iros wel omruilen voor haar moeder Asta. Deze Asta die al meerdere nesten jongen had geworpen, gezien het aantal uitgezakte knoopjes aan haar buik, was nou niet echt de bedoeling. Met Asta in huis werd het een gewapende vrede. Herodes gedoogde de hond en ik ook maar van blindelings vertrouwen was geen sprake.
Wat dat betreft is het net als met mensen: iemand ligt je of niet.
Zo ook met de hond. We hadden niets met elkaar. Op het strand had Asta in een mum van tijd een denkbeeldige kring getrokken en eenieder die binnen die kring een voet waagde te zetten, werd door de hond begroet met opgetrokken bovenlip en luid gegrom. Je moest haar in de gaten houden. Op een dag hapte zij in een voorbijgaande kinderwagen naar het beentje van de daarin liggende baby. Gelukkig hield ze alleen het sokje in haar bek en bleef het voetje ongedeerd.
Asta was als de dood voor rotjes. Het liep tegen oudjaar en tijdens het boodschappen doen zat ze een kwartier alleen achter in de auto. Kennelijk was er een rotje dichtbij de auto afgestoken. Op de plaats des onheils terugkerend was de ravage niet te beschrijven. Ze had de achterbank vernield en aan flarden gescheurd.
Dat was einde-Asta. Ze werd weer teruggebracht naar de fokker.

vrijdag 23 maart 2012

dame blanche


Vandaag zat ik genietend van een glas wijn op een terras in het zonnetje. Een zelfbewuste yuppenmoeder komt met koter in een bakfiets aanrijden. Zoonlief eruit tillend, hoor ik moeder op bijna smekende toon zich verontschuldigen: een kwartiertje maar... schat.
Ze, het kind tegenstribbelend, nemen plaats aan tafel.
Wat een heerlijk zonnetje. Wat wil jij drinken, grote vent?
Wat hebben ze.
Eh... cola, appelsap, chocomel enne... een ijssorbet.
Nee, moet ik niet!
Wat dan, lieverd?
Lieverd zit met een verveelde kop voor zich uit te staren.
Oh, ze hebben ook een dame blanche, Lodewijk.
Heb ik gisteren al gehad.
Maar daar ben je toch zo dol op, mmmm lekkere warme chocoladesaus op je ijs, kanjer.
De kanjer kijkt naar zijn moeder alsof ze hem een oneerbaar voorstel doet.
Ze hebben niet wat ik wil, drenst hij.
Wat wil je dan, manneke?
Dat weet ik niet.
Mevrouw, jongeman, wat wenst u?
Geef mij maar een cappuccino en voor jou mijn lieve Lodewijkje?
De snotneus kijkt met een woedend gezicht naar zijn moeder, spuugt op de grond en commandeert: een sneeuwwitje!
Maar mijn jongen dan toch, daar ben je nog echt te jong voor hoor, doe voor mijn lieve engel maar een colaatje.
Ik moet geen colaaaaa, gilt de lieverd en kijkt zijn moeder hartverscheurend aan.
Maar schat dan toch, sust ze hem.
Over mijn nek ga ik van die kleine verwende etterbak. Ik wend mijn gezicht af.

Bij ons in de straat hadden we vroeger de Spar.
Enige keren per week werd deze comestibles- en gruttenzaak bevoorraad met grote staven ijs om aan bederf onderhevig voedsel te koelen. Als ik met mijn vriendjes op straat speelde en we zagen de ijswagen aankomen, renden we naar de kruidenier en stonden voor de deur te wachten op een stuk ijs.
De staven ijs waren, voor zover mijn herinnering teruggaat, ongeveer een meter lang, dertig cm dik en idem dito breed. De man die ze naar binnen droeg, had een dikke handdoek over zijn schouder en daarop het grote ijsblok.
Wij stonden er likkebaardend bij. Dan kregen we een stukje waterijs dat van het grote blok was afgevallen. Juichend liep ik met mijn lekkernij naar huis, de koning te rijk, trots aan mijn moeder laten zien wat ik gekregen had.

Tja, dat waren nog eens andere tijden.

woensdag 21 maart 2012

kortsluiting



Enige jaren geleden organiseerde uitgeverij Contact een schrijfwedstrijd. 
Tien auteurs gaven een openingszin. Hieruit kon je kiezen en met dat gegeven een verhaal schrijven. 
Ik koos voor:

ER WAS VEEL VOLK OP DE BEGRAFENIS VAN HET KIND DAT IK HEB DOODGEREDEN. VEEL VOLK, MAAR WEINIG MENSEN...

Lijkenpikkers waren het. Sensatiezoekers die collectief hun tranen de vrije loop zouden laten om zodoende blijk te geven van hun opgekropte gevoelens van frustratie en afstomping. Een demonstratie van sentimenten. De nieuwsgierigen hadden zich in de aula verzameld en bevochten de beste plek om maar niets te hoeven missen van het naderend droeve schouwspel. Bijna niemand had het kind persoonlijk gekend.
De stem van Bob Dylan galmde door de aula the answer my friend is blowing in the wind.
Ik hield me wat afzijdig. Niemand kon weten wie ik was. Daar was ik van overtuigd.

Ik had wijzer moeten zijn op die fatale middag en uit de kroeg komend, met zoals gewoonlijk een stuk in m'n kraag, de auto moeten laten staan. Nog erger was dat mijn geheugen het finaal liet afweten. Ik had geen kind gezien, laat staan dat ik het had zien oversteken.
De volgende dag toen ik de auto uit de garage wilde halen, zag ik een forse deuk rechts voor. Bloedspatten zaten op de voorruit en de bumper van mijn troetelkind.
Me van geen kwaad bewust liep ik geschrokken het huis weer in, haalde een emmer water en waste m'n oude Mercedes zorgvuldig schoon. Ik baalde van de schade. Mijn grote trots zou ik voorlopig even binnen laten staan. Vervolgens snelde ik de straat op, speurend naar het nieuws.
Ja hoor, met grote koppen op de voorpagina.

...Meisje (8) doodgereden door wildeman. Gisteren in de namiddag stak Lotje Lindeman uit Den Haag het zebrapad over. Met hoge snelheid scheurde een dolleman de hoek om en schepte het kind, dat nog dertig meter werd meegesleurd. Ze was op slag dood. De onverlaat reed door...

Woorden van gelijke strekking gingen nog een kolom verder.
Ik kocht verschillende kranten om het verhaal op m'n gemak thuis door te kunnen lezen en moest me maar eens beraden op wat me te doen stond. Kotsmisselijk werd ik van die media. Alles opblazen, of het nou krant, radio of televisie is.
Ik begreep niet dat niemand mijn oldtimer had herkend. Het was toch een vrij opvallende wagen. De moderne mens scheen meer op de hoogte te zijn met die koekblikken van tegenwoordig dan dat ze de schoonheid van vroegere exemplaren kon waarderen.
Kennelijk hadden ze nog geen spoor van de dader want getuigen werden verzocht om contact op te nemen met de politie. Dat las ik ook in de andere dagbladen. De een maakte het verhaal nog smeuïger dan de ander en collectief geen goed woord voor de dader. Wat had ik anders verwacht.
Mijn strafblad was niet geheel blanco, sterker nog, ik had al het een en ander op mijn kerfstok. Als het me even niet aanstond, de psychiater noemde dat een kort lontje, kon men een knal voor z'n kop krijgen. Met drank op en een lijntje cocaïne werd mijn gedrag nog excessiever. Al menig keer hadden ze me uit de kroeg geplukt wegens gewelddadig optreden en moest ik m'n roes uitslapen op het bureau. Met een zedenpreek van oom agent en voorgewende goede voornemens mocht ik de volgende dag dan weer naar huis. Spijt, berouw en schuldgevoel stonden doorgaans niet in m'n woordenboek. Regelmatig werd mij verweten geen invoelingsvermogen te hebben en altijd op conflicten uit te zijn.

Mijn rotjeugd drong zich aan me op. Doorgaans was ik goed in het wegdrukken van de kwellingen die mij, als ze me eenmaal in hun greep hadden, mijn verdere leven lang teisterden. 
Mijn vader die me te pas en te onpas een pak voor m'n bliksem gaf en manisch depressief als hij was het hele gezin terroriseerde. We moesten ons gedragen volgens zijn wil en wet. Als zijn manie losbrak en z'n ogen op bezeten stonden, sloegen ook de stoppen door. Van het ene op het andere moment veranderde z'n humeur en werd vader depressief. Hij sprak nog sporadisch met ons en wij moesten op onze tenen lopen. Lachen was uit den boze. Wij waren de stoorzenders. Wel viel hij bij ieder geluid uit en raakte buiten zichzelf van woede. Dan moesten ik en mijn broer het ontgelden. Hij sloeg ons geregeld met de koppen tegen elkaar, waar ik een lichte hersenbeschadiging aan heb overgehouden. 
Om het af te leren, schreeuwde hij dan luid. Wat we af moesten leren heb ik nooit begrepen.
Toen ik net veertien was geworden en inmiddels een halve kop boven m'n vader uitstak, was bij mij de maat vol. Moeder liep weer met haar bekende angstogen strompelend en huilend door het huis en vertelde dat vader haar in het kruis had geschopt. Razend was ik en liep naar de zolder waar hij zich had verschanst. Bij binnenkomst gaf ik hem meteen een vuistslag, recht in z'n gezicht. Daar had hij niet op gerekend want je hand opheffen tegen je vader deed je niet, dacht hij. Ook hij haalde uit maar dat deerde me niet. In blinde woede greep ik hem bij zijn schouders en schopte hem de trap af. Met gecompliceerde botbreuken en een schedelbasisfractuur werd hij afgevoerd. Een jaar later overleed hij. Iedereen was opgelucht en mijn lieve moeder monterde zienderogen op. 

Een jongeman, de vader begreep ik, trad naar voren en sprak met bevende stem zijn verdriet uit over het verlies van zijn Lotje. Hoe de kleine onschuld met fataal gevolg was aangereden door een wegpiraat, een crimineel, en dat de dader die was doorgereden hopelijk gestraft zou worden. Daarna kwam de moeder aan het woord. Onder een stortvloed van tranen gaf ze uiting aan haar smart.
Na een korte stilte traden twee mannen, een vrouw en een jong meisje naar voren, tilden de kleine kist op en de stoet zette zich onder de klanken van Leentje leerde Lotje lopen in beweging. Het meisje begon hartverscheurend te snikken.
Ik maakte dat ik wegkwam.

Als een bliksemflits schoot die affaire met Klara door me heen. Ze zat altijd aan m'n kop te zeuren. Ik was een nietsnut, een zuiplap en deugde nergens voor. Van dat gehijg in m'n nek werd ik horendol. Ik hoefde door niemand gecorrigeerd te worden en zeker niet door haar. Met mijn doen en laten hoefde niemand zich te bemoeien. Dat maakte ik zelf wel uit. Geregeld kreeg ze van mij een corrigerende tik voor haar knar.
Tot die ene keer. Naar haar idee kwam ik weer eens te laat en dronken uit de kroeg toen ze met het eten zat te wachten. Ik had amper een stap in de kamer gezet of ik kreeg een vaas naar mijn hoofd geslingerd die gelukkig tegen de muur sloeg en in stukken kapot viel. 
Kijk, dat had ze nou niet moeten doen. Nota bene het enige erfstuk van mijn moeder waar ik zeer gehecht aan was. Als een dolle stier vloog ik op haar af en kneep haar keel dicht. Haar verdiende loon.
Ik liet me op bed vallen en raakte gelijk van de wereld. De volgende dag was ze verdwenen. Na haar telefoontje begreep ik dat ze in het ziekenhuis lag met vele kneuzingen en een rechtszijdige verlamming.
Zuurstof tekort, je mag blij zijn dat je nog leeft, hebben de artsen gezegd, wreef ze me onmiddellijk onder mijn neus. Aangifte bij de politie wilde ze niet doen uit loyaliteit jegens mij en omdat ze zoveel van mij hield, voegde ze eraan toe.
Eigenlijk snapte ik daar niets van want rancuneus als ikzelf ben, had ik de ander wel even mores geleerd na zo'n afrekening.
Deze gebeurtenis speelde zich negen maanden geleden af. Inmiddels had Klara een aangepaste woning en de nodige thuiszorg. Ik stond op haar dwingend verzoek wekelijks bij haar op de stoep met een bosje bloemen. Als ik niet zou komen, zou ze misschien weleens alsnog aangifte kunnen gaan doen en dan zag het er voor mij niet al te best uit, verzekerde ze me geregeld. Daar kon ik me van alles bij voorstellen want een van mijn grootste angsten was de gevangenis. Daarom gedoogde ik dit bevel.
Bij mijn laatste sleurbezoekje kwam het me werkelijk de strot uit. Ik smakte het bosje verlepte chrysanten in haar schoot en ging meteen naar de keuken om een biertje te pakken.
Ze zat verdacht rechtop met haar dominante houding en pinnige spreek-me-niet-tegen ogen. Zonder me een blik waardig te gunnen, begon ze me voorwaarden te stellen over een dagelijks bezoek en een hand uitsteken in de huishouding want door mij was het zover gekomen dat zij...
De chantage was deze keer niet te verteren.
In blinde woede sloeg ik haar uit de invalidenstoel en onder haar luide krijsen vluchtte ik weg. In woeste vaart reed ik naar de kroeg, waar ik me liet vollopen en in een diepe vergetelheid raakte.

Ik hoorde een oorverdovend gegil. Badend in het zweet werd ik wakker, vastgebonden op een matras in een kleine kale ruimte. Waar was ik? Verward keek ik om me heen. Langzamerhand drong de werkelijkheid tot mij door. 
In wat voor gruwelijke nachtmerrie was ik verzeild geraakt?


woensdag 7 maart 2012

overdracht

Gek werd hij van al zijn patiënten zo langzamerhand. 
Zijn bloeiende praktijk in het centrum van de stad had hem geen windeieren gelegd. G.S.M. Zieltjens was psychiater, voornamelijk bekend als behandelaar van psychosomatische aandoeningen, angsten, fobieën, depressies, relatie- en seksuele problemen. 
Door alle drukte, onrust en verdriet van de laatste jaren schreef hij voor zichzelf zijn eigen medicijnen uit. Inmiddels was hij grootgebruiker geworden: xanax, om de hele dag rustig te blijven en zijn angsten te onderdrukken, prozac tegen z'n depressies en rohypnol om goed te kunnen slapen. Imferon, tevens geschikt als pepmiddel, diende hij zich per injectie toe voor zijn chronische bloedarmoede.
Het was twaalf jaar en zes maanden geleden, hij hield dat nog wekelijks bij op de kalender, dat zijn dierbare vrouw van hem was weggerukt. Op Allerzielen maakte een hartinfarct een einde aan haar leven. Kort daarop overkwam hem de tweede catastrofe. 
Voor zijn intelligente dochter Roos had hij een briljante opleiding in petto. Ooit zou ze zijn praktijk overnemen had hij bedacht. In werkelijkheid liep het geheel anders. Waarom had hij toch niet gezien dat ze stiekem in zijn gifkastje, zijn huisapotheek, scharrelde. 
Het begon met benzo's en werd allengs erger. Van valium ging ze over op opiaten. In zijn eigen huis speelde het drama zich af. Hij, psychiater G.S.M. Zieltjens had niets in de gaten. Hij kon zich wel voor z'n kop slaan achteraf. 
Op zestien jarige leeftijd liep Roos weg. Soms kwam ze thuis om geld te vragen voor haar behoeftes. Vaak waren er kostbare spullen verdwenen als ze haar hielen had gelicht. Menigmaal zag hij haar achter het Centraal Station staan. Eenzaam, bleek, holle ogen. Het drong hem door merg en been, het sneed hem door de ziel, zijn hart brak. Zijn eens zo blozende meid was afgetakeld, een junk, een wrak geworden.
Daar gaat de bel. Mevrouw Sorgdrager is zijn laatste patiënt voor vandaag. Lusteloos loopt Zieltjens naar de deur.
-Neemt u plaats op de divan.
Sandra Sorgdrager lijdt aan het atlassyndroom. Ze heeft het gevoel het leed van de hele wereld op haar schouders te torsen. Aan de ene kant is dat haar tragiek aan de andere kant pronkt ze ermee.
-Dokter, ik heb heerlijke bonbons gekocht, wilt u er eentje?
-Nee dank u.
Zieltjens kauwt verveeld door op z'n kauwgom en neemt plaats naast de divan.
Sorgdrager duikt onmiddellijk in haar slachtofferrol: -dokter, Ik heb me deze week nuttig en doelmatig ingezet, voor familie, vriend en buur.
Zieltjens kijkt haar peinzend aan: haar idealisme heeft zich weer eens op dienstbaarheid gericht
-Mijn nicht Nora vroeg of ik haar kamer wilde witten. Ik heb eergisteren meteen een kwast en latex gekocht en ben aan de slag gegaan. Gisteren ben ik met buurvrouw Boerlaat naar het ziekenhuis gegaan. Zij zou kunstmatig geïnsemineerd worden met het zaad van een onbekende donor.
Ik stond onmiddellijk voor ze klaar om als steun in de rug te fungeren want ze hebben me zo nodig, zeurt ze verder.
Begrijpt ze dan nog niet dat ze zich teveel in dienst stelt voor de goegemeente en daardoor zichzelf vergeet ...
-Voor mijn vriendin Frieda ben ik naar de slager gegaan om een biefstukje te kopen, tante Truus heb ik helpen verhuizen en voor buurman Brugmans heb ik een Panorama meegenomen.
Die laat zich ook voor elk karretje spannen ...
-Overal zet ik me voor in, sloof ik me uit en word ik niet op werkelijke waarde geschat, jammert ze voort.
Snapt ze dan nog steeds niet dat ze haar 'ik' bevestigd wil zien ...
-Ik ben zo dienstbaar en hulpvaardig geweest en ben o zo moe.
Ja-ha, dat is 't nou juist ....
-Mijn positie is ondergeschikt, ik moet me altijd maar conformeren, ik...
Met haar is het water naar de zee dragen ...
-... heb de gehele mensheid zo lief.
Gadverdamme wat een selectief vermogen ...
-Men ziet me niet staan.
Jezus nog an toe ...
Daar gaat ze weer. Huilen, snikken, zoals gewoonlijk. De door ellende geprojecteerde tranen vloeien rijkelijk. Altijd hetzelfde liedje. Week in, week uit.
Hij kan het niet meer aanhoren. Het krassen van zijn pen maakt een eind aan de sessie. Hij schrijft een recept uit: 30 xanax, 30 temazepam en de pil van drion.
-En nu opsodemieteren. Ik wil je nooit meer zien. Ik word stapelgek van jou.
Zo, dat is dat. Hij loopt naar z'n gifkastje en geeft zichzelf een shot morfine. Een heerlijke indolentie trekt door hem heen. Een gelukzalige rust en tegelijkertijd euforisch gevoel maakt zich van hem meester. Er is even helemaal niets meer. Morgen maakt hij een afspraak met de psychiater.
G.S.M. Zieltjens gaat in psychoanalyse.

donderdag 1 maart 2012

Koningin der duisternis

Haar melancholieke bruine ogen liggen diep verzonken in een gezicht met hoge jukbeenderen. 
-Volgens mij ken ik je van heel lang geleden, denk maar goed na, zegt ze tegen mij met lage stem.
De ogen komen me vaag bekend voor maar dat is ook alles. Ik heb deze vrouw eerder ontmoet maar waar?
-Geef me even een hint, vraag ik. 
Als een gek graaf ik door mijn verleden. Beelden schuiven over elkaar heen. Opeens zie ik diezelfde ogen in een onzeker smal jongensgezicht.
-Adje… eh Spicht... zeg ik. Ik zie het voor me in een flits. 
We waren ongeveer negen jaar. Tegenover ons woonde een gezin met allemaal meiden en één jongen: Adje. Ik herinner me weer dat Adje gepest werd zowel thuis door zijn zussen als op straat. Ik weet nog dat hij een moederskindje was. Bij het minste of geringste moest hij huilen en rende dan naar huis. 
Papkindje noemden ze hem. We deden spelletjes met elkaar op straat. Hij wilde met ons, de meisjes, spelen. Adje was de pineut, hij moest 'm altijd zijn, met verstoppertje en krijgertje. Bij touwtje springen was hij aan 't slingeren en met balspel gooide hij de bal net als de meisjes: onderhands.
Dit is dus Adje getransformeerd tot Adrienne zoals zij zich heeft voorgesteld.
-Ja, glimlacht ze, jij was toen mijn jeugdvriendinnetje. Plotseling verhuisden jullie. Ik vond het verschrikkelijk. Ik was in die tijd een bangerik maar jij nam het vaak voor me op en sloeg erop los wanneer ik gepest werd. Na jouw vertrek heb ik me een tijd erg alleen gevoeld in die boze buitenwereld.
Ik kan het me allemaal weer herinneren. Het is echter nooit tot me doorgedrongen dat hij zo op me gesteld was. Ik weet dat ik altijd al een hekel heb gehad aan treiteren en pesten en met hem te doen had als kind zijnde. Hij straalde een diepe eenzaamheid uit wat me destijds met deernis vervulde.
-Verrassend Adrienne om je nu weer te ontmoeten.
-Ik behoor tot de zogenaamde genderdysforen. Eigenlijk heb ik me altijd zeer slecht gevoeld in dat mannenlichaam. Langzamerhand begon bij mij het plan te rijpen tot geslachtsverandering. Toen ik eenmaal gekozen had voor transseksuele operaties ben ik een ander mens geworden, een vrouw zoals je ziet.
-Ik moet zeggen dat je daar aardig in geslaagd bent, je bent een charmante zelfbewuste vrouw geworden.
Opmerkzaam neem ik haar op. 
-Ik wil je even goed bekijken, jouw gezicht van toen zie ik nu zo weer voor me. Hoeveel zussen had jij eigenlijk? Volgens mij ben ik nooit bij je thuis geweest en voor zover ik het me nog herinner, hing er een geheimzinnige waas rond jouw familie. Ik heb het nooit goed kunnen plaatsen.
-Ik mocht nooit iemand mee naar huis nemen, dat klopt. Mijn moeder zei dat het huis al zo vol was en als je geïnteresseerd bent om alsnog mijn familieverhaal te horen wil ik je dat wel vertellen.
Natuurlijk wil ik dat weten en Adrienne steekt van wal. 
-Het viel niet mee, met zes zussen boven mij. Wat waren ze blij met me, zeg. Nummer zeven van de mannelijke kunne, kon mijn vader plechtstatig zeggen. Dat kunne begreep ik nooit zo want ik kon niet veel. Alles werd me uit handen genomen, initiatief mocht ik nauwelijks ontwikkelen. Men noemde ons de familie Spicht. Dat kwam doordat mijn zussen van die uitgemergelde grietjes waren. Ze hadden het uiterlijk en waren het evenbeeld van mijn zeer dominante moeder. Behalve mijn oudste zus Tonnie. Zij was een vaderskind, wellicht omdat ze zo op hem leek en altijd door hem werd voorgetrokken. Als ze me weer eens voor pantoffelheld uitschold, kruiste ik mijn vingers en gilde: sliep uit, sliep uit, klein vet monstertje. Dan moest ik maken dat ik weg kwam want Tonnie kon met haar korte kromme beentjes hard lopen.
Soms werd ik opgevangen door mijn andere zussen die pesterig begonnen te zingen: Adje is met zijn gatje in het water gevallen. Daar moest ik erg van huilen. Als mijn moeder dan in de buurt was, trok ze me troostend op schoot en drukte mijn hoofd tegen haar borsten. Op schoot zitten vond ik heerlijk want ik was een moederskind. Als mijn vader getuige was van dit tafereel schudde hij zorgelijk zijn hoofd en zei: je maakt van Adje een watje vrouw, het wordt tijd dat hij Adrie gaat heten zoals ik, we maken nog eens een flinke vent van hem, nietwaar kerel. Dan gaf hij me een flinke stoot tegen mijn bovenarm. Au, dat deed pijn. Eigenlijk moest ik dan weer huilen, ik wilde geen flinke vent zijn en er ook geen een worden. 
Dagelijks, als mijn moeder er even niet was, werd ik gepest: lulletje rozenwater of held op sokken, riepen mijn zussen me toe. Dan trok ik me terug in de bezemkast, daar deelde ik mijn verdriet en eenzaamheid met de zwabber, de bezem en het stoffer en blik. Als mijn zussen goed gehumeurd waren, dosten ze me uit. Daar heb ik mooie herinneringen aan. Ik mocht dan op een stoel staan. Ze omhulden me met voiles en vitrage, een kroon van karton op mijn hoofd en met oorbellen en sieraden van moeder omhangen noemden ze mij hun prinsesje. Als ik met lippenstift en rouge werd opgesmukt voelde ik me even van koninklijke bloede totdat Tonnie, die zich altijd achtergesteld voelde en alles verpestte, erbij kwam en mij begon te sarren met: Mietje, Mietje, driewerf Mietje. Mijn andere zussen begonnen in koor boosaardig te grijnzen. Flikker op allemaal, krijste ik dan en vloog onmiddellijk naar mijn bezemkast.
Toen mijn moeder overleed heb ik gebroken met mijn familie. Ik was dat gesar zat. Verzoenen kon en wilde ik me niet meer. Ik ben nooit Adrie junior geworden zoals mijn vader zaliger graag gezien zou hebben, verzucht zij. Toch is Adje wat geworden. 
Er speelt een glimlach om haar lippen, vol weemoed en verlangen. Adje is Adrienne, de koningin, de koningin der duisternis.