Posts tonen met het label nostalgische es-verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label nostalgische es-verhalen. Alle posts tonen

dinsdag 3 april 2018

het voorjaar is er weer...

Opvallend is het lyrisch beschrijven van de lente door een aantal troubadours, dichters en nieuwslezers. 
De bijtjes en bloempjes, lammetjes en kalfjes staan in hoog aanzien en menigeen kweelt over het voorjaar waar momenteel al enigszins iets van te merken is.
Het eerste kievitsei is onlangs in Zuid-Holland gevonden.
Rondom mij hoorde ik zeuren over het slechte weer en de koude vroeg vallende Paasdagen. 

Met z'n allen hadden ze de uitpuilende terrassen willen bestormen om vooral geen zonnestraaltje te hoeven missen of met grote getale de overvolle stranden bezetten en zich verdringen om de beste plek. Een bungalow huren bij sporthuis Centrum zat er ook al niet in. Neen, gefrustreerd verveelde men zich met Pasen voor de buis en achter de kachel.

Ook ik trok vandaag de natuur in met de gedachte heerlijk door de polder te rijden om ergens op een rustig terras te genieten van mijn drankje en een sprankje zon.
Ik had het kúnnen weten.
Wielrenners zijn massaal uitgetrokken om hun extra vetpondjes eraf te racen. Met een idioot harde vaart, soms vier man zij aan zij, komen ze je tegemoet of versperren je de weg met hun gladjanus broekjes strakgetrokken in het kruis. Ik heb al zo'n hekel aan uniform maar deze achterlijke uitdossing is helemaal niet te verteren. In het ergste geval blijf je achter zo'n reet plakken en gaan ze met de grootste moeite aan de kant.
Ook de hardlopers laten van zich weten. Rennend, huppelend en hijgend in het zweet banen zij zich een weg door het land. Sportief Nederland is weer volop in beweging.

De lente is niet mijn favoriete jaargetijde.
Ik hou meer van het najaar, het verval. Daar waar de meeste mensen depressief worden, maakt het mij juist beschouwend en geeft me een overmaat aan inspiratie. De vlagen en stormen na een drukkende warme zomer zijn bevrijdend. Ik kijk graag naar de vallende bladeren en kaal wordende takken. Opvallend is dat de meest ingrijpende gebeurtenissen in mijn leven zich hebben afgespeeld in de herfst, zowel de hoogte- als dieptepunten. Van verliefdheid, prille liefdes en vernieuwing tot scheiding, verlies en dood.
Ook de winter is niet te versmaden. Helaas mis ik de koude winters van vroeger. Ik kan me herinneren dat ik als kind met mijn vader over de Amstel schaatste bij twintig graden vorst. Dikke kranten onder onze truien tegen de kou...

zondag 15 april 2012

Willem Waterman (deel I)



Ik was begin twintig. De jaren vijftig hadden we gelukkig achter ons liggen. Uit pure compensatie en om uit die grijsgrauwe sleur te breken, stortte ik me in het uitgaansleven. Kroeg in kroeg uit stond als eerste op mijn lijst. Drinken, de lust van m’n leven. De wilde wijventijd was aangebroken.
In die tijd draaide ik rond in een kringetje van kunstenaars, semi-kunstenaars en intellectuelen. Een scènetje van veel pathetisch gepraat, gedrevenheid en geëxalteerdheid met natuurlijk een maximum aan drank. Al gauw hadden we het predikaat van langharig werkschuw tuig.
Zo was er Willem Waterman, met verschillende pseudoniemen waaronder Willy van der Heide en Willem van den Hout. Schrijver was hij van beroep, bekend van de Bob Eversserie.
Hij had het rauwe uiterlijk van een zeebonk met zijn kapiteinspet op en grote snor. In die tijd leefde hij op een schip. Dagelijks peddelde hij met z’n bootje door de grachten en meerde dan aan bij een bootterras aan de Prinsengracht waar ik en m’n vriendinnen in het zonnetje aan het borrelen waren.
Vloekend kwam hij aan en vloekend met bulderende lach vertrok hij weer. Geregeld ergerden we ons aan zijn gescheld en getier, een kakofonie van woorden. Naarmate de alcohol vloeide, ontstond er een overmaat van woorden, een crescendo van blaaskakerij en gelal, een ware terreur.
In de verte zagen we Willem alweer aan komen tuffen. We besloten hem een lesje te leren. De niets vermoedende Willem verankerde zijn bootje, stapte ‘godverdomme middag dames’ kretend op het terras, begon met overslaande stem te oreren en werd meteen door een paar potige meiden vastgegrepen. Vervolgens rukten we hem het hemd van zijn lijf en scheurden de broek van zijn kont en gooiden de heftig tegenspartelende Willem in de gracht. Z’n kleren erachter aan.
Zo droop hij af met een zwaar onthutst gezicht en uitgelachen door al die pimpelende dames op het terras. Het temperde enigszins zijn seksistische gelul.

zie ook: Willem Waterman (deel II)

zaterdag 14 april 2012

Willem Waterman (deel II)


Ondanks z'n geloei en georeer had Willem ook een andere kant. Ik vond de schreeuwlelijk een boeiende man met kwaliteiten. Hij verstond absoluut de kunst van het leven en noemde zich bij herhaling een Pallieterachtig figuur. Hij deed precies waar hij zin in had en had schijt aan de wereld.
Hij schreef beeldend zoals hij sprak en andersom. Door de tijd heen ontmoetten we elkaar geregeld in de kroeg en hielden contact.
Nadat hij zijn boek: Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig had geschreven, ontving ik eind '78 een brief van hem. Daarin stelde hij voor om samen met mij een boek te gaan schrijven.
Hij had al twee titels in zijn hoofd.
Het zou: De man die vrouwen begreep worden en hij veronderstelde dat geen enkele vrouw zo'n boek zou kunnen laten liggen.
Deze brief kwam ik onlangs tegen in een oude doos. Ik heb 'm gescand en doe er hieronder gewag van.



Bij tijd en wijle schreven Willem en ik stukken tekst die op een oude rammelende schrijfmachine door hem werd uitgetypt. Het begon al een aardig manuscript te worden. Ondanks dat hij zichzelf een hoge ouderdom had beloofd en hij al zijn vijanden had willen overleven is hij slechts 69 geworden.
Begin '85 werd een verwaarloosd hartinfarct Willem fataal.
Ons boek is er nooit gekomen en het manuscript is tot mijn leedwezen verloren geraakt.


 zie ook: Willem Waterman (deel I)

woensdag 4 april 2012

arbeid adelt


Ik vraag me vaak af waarom ik zo naar randfiguren trek of naar mensen die op het scherp van de snede lopen. Niet uit idealistische overweging en ook niet omdat ik met ze te doen heb of dat ik ze zo nodig moet helpen. Nee, waarschijnlijk haal ik er voor mij zelf iets uit. Doorgaans hebben ze een eigenheid die mij kennelijk aantrekt. Ik kan heel slecht tegen gebaande wegen, ook op persoonlijk niveau en ben niet vies van sensatie maar dan wel met stijl. Ik ben allergisch voor platvloersheid. 
In de jaren zestig had ik een vriend, Sjoerd genaamd. Het gerucht ging dat hij van adel was en ooit stinkend rijk was geweest. Daar zag je niet veel meer van. Blootshoofds en barrevoets verplaatste hij zich door Amsterdam. De kleding die hij droeg bestond uit niet meer dan een paar aan elkaar geknoopte draadjes katoen. Hij had lang grijzend haar en een baard tot aan zijn navel. Menigeen zag hem voor de vleesgeworden Christus aan en ook hij hield die mythe graag in stand. Zijn grijsblauwe ogen lagen wat verzonken in zijn magere gezicht en zijn van nature rijzige gestalte neigde zich te buigen
‘s Nachts stond hij weleens voor mijn bed, dan dacht ik dat ik ‘een verschijning' had. Als ik me dan realiseerde dat het Sjoerd was die langs de regenpijp omhoog was geklommen en vervolgens door het geopende raam naar binnen was gestapt, wist ik dat het om een borreltje ging.
Eentje maar, zei hij met een kwajongensachtige lach op zijn gezicht.
Nou, eentje dan, verzuchtte ik, je weet de weg
Na dat borreltje klom hij het raam weer uit en bracht de nacht door in de zandbak naast het huis waar ik woonde. Hij had bijna nooit geld maar als hij het had, was het binnen een dag op. Hij had eens een briefje van honderd gulden op zak en stak het zomaar in de fik en zei: Ach, als ik iets nodig heb dan neem ik het wel. Op die manier liet hij zien wat hij van geld vond. 
Op een dag belde mijn vriendin Gertie al vroeg in de ochtend bij me aan. Zij stoorde me in mijn winterslaap. Sjoerd heeft gisteravond een ongeluk gehad, zei ze ongerust, hij ligt in het ziekenhuis
Een paar uur later toen we bij hem in het Wilhelminagasthuis waren, zat Sjoerd alweer monter en frisgewassen tussen de witte lakens. Een verpleegster zat op het randje van zijn bed en draaide vlechtjes in zijn baard. Grinnikend zei hij dat het geen kwaad kon om in deze barre tijden eens even in een echt bed te slapen en lekker verzorgd te worden. En ach ja, die auto had hem lichtelijk aangereden en toen de ambulance kwam, dacht hij laat maar gaan, ik zie wel hoe het loopt.
Drie dagen later haalden Gertie en ik hem weer op uit het ziekenhuis. Ik geloofde mijn ogen niet. Daar kwam Sjoerd aangelopen. In een keurig pak, zijn haar pas gewassen, kortom: spic en span. Hij droeg een grote koffer.
Wat zit daar in die koffer, Sjoerd, vroeg ik, het meest vreselijke vermoedend. Armen en benen op sterk water, of zo ?
Dat laat ik je straks wel zien, grijnsde hij.
In mijn Fiatje 600 scheurden we door de straten want met mijn grenzeloze nieuwsgierigheid kon ik het moment suprême bijna niet afwachten.
Toen we bij mij thuis kwamen, ging de koffer open en wat zagen we daar: een paar operatiejassen, een verpleegsterscape, twee doktersjassen, een stethoscoop en nog enige operatie-instrumenten.
Zo komt Splinter door de winter dacht ik bij mezelf oftewel: arbeid adelt maar de adel arbeidt niet.

                                                                              ***

                                                                        Sjoerd met zoon Rufus



Sjoerd begin 1981



Sjoerd 1956




                                                                     





zondag 1 april 2012

Gertie

Toen ik zaterdag van de Noordermarkt afkwam en langs mijn oude woninkje reed in de Jordaan, stond de deur open.
Nieuwsgierig loerde ik naar binnen en zag dat het trapgat was afgesloten. Een damesjup en een paar koters stonden bij de deuropening en ik begreep dat zij daar nu woonden. Het hele pand hadden ze gekocht en de ingang was via het benedenhuis. Mijn oude trap fungeerde als berghok.
Zesenveertig jaar geleden woonde ik op de eerste verdieping van dat huis in de Tuinstraat voor slechts drieëntwintig gulden per maand. Gertie woonde in de Egelantiersstraat pal achter mij. Ze was etser en leed aan manies. Tijdens de periodes van hard werken, etste ze duurzaam naar een expositie toe, ruimde obsessief haar huis op en leefde als kluizenaar. Ogenschijnlijk degelijk en solide.
Als het omsloeg, kwam ze in de oppositie: 180 graden de andere kant op. Haar huis werd een puinhoop, haar ogen stonden bezeten, het was afgelopen met werken en ze hing uitsluitend nog maar in de kroeg rond. Ze verzoop al haar geld, gaf gulhartig rondjes weg en gedroeg zich als een furie.
Als ik met haar aan de bar hing, moest geen man het proberen naar mij te lonken, laat staan versieren want Gertie sprong op en met het gebaar van een Gorilla die op z'n borst klopt, brulde ze dan: kijk voor je, dat wijf is van mij-ijijijijijijij.
Althans dat laatste dacht ze.
Tenslotte werd haar overal de deur geweigerd met name die van het café. Alle grenzen vervaagden, ze kon werkelijkheid niet meer van illusie onderscheiden en ze fantaseerde erop los.
In die periode hield ze op zekere dag voor enkele vrienden een elitair feestje. Ook ik behoorde bij de genodigden. We zouden komen eten.
Kip uit de oven, verklapte ze met een té ondeugende blik.
Het bezoek druppelde binnen en op haar platje heerste al gauw een grote feestvreugde. De ene fles wijn na de andere werd achterover geslagen en iemand had rode Libanon bij zich. Dat was nog eens goeie hasj.
Daar kwam Gertie aan met een grote schaal waarop vier dampende kippen lagen.
Het selecte gezelschap bestond uit kunstenaars, leeglopers, nietsnutten en ander langharig werkschuw tuig die al een paar dagen bijna niks gegeten hadden vanwege hun lege beurs. Niets kon de feestvreugde meer verstoren.
In de tuin naast ons hoorden we opeens een luid gevloek. De buurman, die tevens kippenboer was, liep met een rood aangelopen, van huisuit vadsige, bolle kop naar de rand van het platje. 
Hij had toch altijd eenentwintig kippen in z’n tuin lopen...
Hij telde razendsnel zijn farm en brulde: ik heb er nu nog maar zeventien en jullie… en jullie… en jullie… Hij sprong zowat uit z’n vel.
Ja, grijnsde Gertie boosaardig met haar puntige wijsvinger naar de gebraden hennen wijzend: en die… en die… en die… zijn van jou-ououououououou!

woensdag 28 maart 2012

huisdieren


In het item  Herodes  schreef ik over mijn affectie voor vogels en katten. Iets dat helaas moeizaam in harmonie kan samenleven. Ik realiseerde me dat er nog wat ontbrak aan mijn verhaal.
Om te completeren onderstaand intermezzo.
Omdat ik de indruk had dat mijn kat Herodes toch wel zielig alleen en eenzaam leek te wezen, nam ik er een leuk speels jong katje bij. Het muisgrijze diertje Tapas kleurde mooi bij mijn cyperse Herodes. 
Vanaf dat moment ging Herodes op de kast zitten bokken en keek mij met verwijtende blik aan.
Tapas dartelde als hij de kans kreeg om Herodes heen, trok hem aan zijn staart en lokte hem uit zijn tent. Het gevolg was een arrogante kop en een corrigerende klap van mijn hartendief.
Ik dacht, dat went wel.
Twee weken later begon Herodes haaruitval te krijgen en ik betrapte hem op het leggen van een fikse drol in mijn klerenkast. Toen ik met hem naar de dierenarts ging om over dit merkwaardige gedrag te praten, vroeg hij mij als eerste of er de laatste weken iets veranderd was in huis.
Ja, de kleine Tapas geadopteerd waarop de deskundige mij adviseerde de goed bedoelde speelgenoot toch maar uit huis te zetten en een ander onderkomen voor hem te zoeken. Tapas eruit en Herodes van de kast.
De vrede was weer getekend en binnen een mum van tijd was Herodes de ouwe.
De behoefte aan uitbreiding schijnt bij een jong gezin te horen vandaar dat een hond op het verlanglijstje stond.
Uit Huizen werd bij een fokker een jonge Duitse herder gehaald met stamboom. Een greep uit de mythologie en Iros werd haar naam. De pup vertoonde vanaf het prille begin angstig gedrag. Was bang voor mens, dier en opwaaiend gebladerte en bovendien ook nog een angstpisser.
Mijn toenmalige buurman Hannes zei in onvervalst Jordanees accent: deze schijter wordt een angstbijter, waardeloze hond, weg met die angsthaas.
Toen ik de fokker confronteerde met de slechte koop, weigerde hij me geld terug te betalen maar ik mocht Iros wel omruilen voor haar moeder Asta. Deze Asta die al meerdere nesten jongen had geworpen, gezien het aantal uitgezakte knoopjes aan haar buik, was nou niet echt de bedoeling. Met Asta in huis werd het een gewapende vrede. Herodes gedoogde de hond en ik ook maar van blindelings vertrouwen was geen sprake.
Wat dat betreft is het net als met mensen: iemand ligt je of niet.
Zo ook met de hond. We hadden niets met elkaar. Op het strand had Asta in een mum van tijd een denkbeeldige kring getrokken en eenieder die binnen die kring een voet waagde te zetten, werd door de hond begroet met opgetrokken bovenlip en luid gegrom. Je moest haar in de gaten houden. Op een dag hapte zij in een voorbijgaande kinderwagen naar het beentje van de daarin liggende baby. Gelukkig hield ze alleen het sokje in haar bek en bleef het voetje ongedeerd.
Asta was als de dood voor rotjes. Het liep tegen oudjaar en tijdens het boodschappen doen zat ze een kwartier alleen achter in de auto. Kennelijk was er een rotje dichtbij de auto afgestoken. Op de plaats des onheils terugkerend was de ravage niet te beschrijven. Ze had de achterbank vernield en aan flarden gescheurd.
Dat was einde-Asta. Ze werd weer teruggebracht naar de fokker.

zaterdag 11 februari 2012

Herodes

Ik ben dol op vogels. Roofvogels hebben mijn voorkeur maar ik kan ook volop genieten van de vrolijke flierefluiters in mijn tuin. Het valt me op dat het vogelbestand de laatste jaren is gedaald, zo is er helaas geen mus meer te bekennen.
Katten zijn echter in aantal toegenomen. Los van het gepis tegen de gevel met de penetrante geur, vinden ze het heerlijk om mijn tuin als kattenbak te gebruiken. Bovendien zie ik ze achter de vogels aanjagen. Ik heb het niet over die paar goedmoedige ouwe lobbesen, maar over de jonge jagers die loerend en buikschuivend door de tuin heen sluipen en op een genadeloos moment op hun prooi afschieten.
Vorig jaar heb ik nog net een jonge lijster van een wisse dood gered. Gealarmeerd door de ouders zag ik hoe zo'n gluiperd met het vogeltje aan het spelen was nadat het uit z'n nest was geroofd.
Toch ben ik gek op katten.
Mijn moeder werd horendol van mij met mijn zeuren en smeken om een hond of een kat. Als jij later op jezelf woont neem je maar tien honden en vijftien katten, zei ze dan.
Toen uiteindelijk het moment daar was -ik was negentien-  zou ik wel onmiddellijk een ark van Noach willen beginnen. Helaas bezat ik slechts een klein woninkje in de Jordaan van ongeveer vierentwintig vierkante meter en bovendien was ik de hele dag uithuizig.
Toevallig liep ik toch tegen een jonge cyperse kat aan die ik Herodes noemde. Herodes mocht altijd met mij mee naar buiten aan de lijn. Ik verbeeldde me dat hij dat leuk vond.
Op een mooie zomerse dag ging ik met mijn familie naar het strand en de duinen. De kat rende achter mij aan langs de vloedlijn. Het zou een leuke dag worden. Tijdens het picknicken in een duinpannetje dook Herodes plotseling het -gelukkig niet brandende- braambos in. Omdat ik een minirokje aanhad en mijn blote benen niet wilde openhalen aan de scherpe stekels, sommeerde ik mijn vader zijn broek uit te trekken om zodoende Herodes, die inmiddels aan het oog was onttrokken, uit een konijnenhol weg te slepen. De hilariteit was groot. Ik in paniek Herodes nooit meer terug te zien en mijn familie verbijsterd door de woorden: vader trek je broek uit!
Gelukkig kwam meneer met een stofwolk zand achter zich aan zelf uit het hol gespurt.
In diezelfde periode had ik van een vriend wat marihuana gekregen. Het lag uitgespreid op de schoorsteen te drogen. Dat Herodes enigszins loenste die middag en vreemde kromme sprongen maakte, drong niet onmiddellijk tot me door maar toen hij ook nog uit het raam wilde springen en luid miauwend in het visnet ging hangen, werd zijn gedrag wel erg merkwaardig.
Waar was toch mijn wiet gebleven? Dat had ik toch op de schoorsteen gelegd. Ik zag nog wat kruimels liggen. De kat had alles opgegeten en was apestoned.
Als ik de deur uitging, stond Herodes me 's middags al op te wachten op de hoek van de straat om me met staart recht omhoog en luid spinnend hartelijk welkom te heten.
Er brak een tijd aan dat ik permanent verkouden ging worden met de hele dag door niezen. Tranende ogen, loopneus en uiteindelijk een constant grieperig gevoel.
Een slimme vent zei in die tijd tegen mij dat ik misschien wel allergisch ergens voor zou kunnen zijn. Allergie, nog nooit van gehoord. In de gezondheidszorg was de allergie net ontdekt. Na een onderzoek met talloze onderhuidse prikjes, bolde mijn bovenarm op tot twee keer zo dik.
Zo, zei de allergoloog, dat is niet mis. Hoe reageer je op katten.
Weet ik veel, zei ik nog steeds niets vermoedend, want je kon toch absoluut niet allergisch zijn voor een kat, dacht ik.
Heb je een kat? vroeg hij streng.
Jawel, antwoordde ik argwanend.
Als je gezond wilt blijven, moet je je kat weg doen.
Herodes weg? Nooit!
Het heeft nog drie jaar geduurd voor ik de onvermijdelijke stap kon zetten.
Herodes ging met veel pijn in m'n hart naar een goede vriend waar hij -stokdoof- een hoge ouderdom heeft bereikt.

Vervolg: huisdieren

maandag 23 januari 2012

memoires der vijftiger jaren

In Amsterdam ben ik geboren en getogen. Mijn jeugd, tot mijn negentiende, heb ik doorgebracht in de Rivierenbuurt. Veel bebouwing is daar te vinden in de stijl van de Amsterdamse School.

Ik woonde in de Vechtstraat alwaar ik ook op school zat en wel op de Sint Catharina meisjesschool bij de nonnen.
Er zaten genieperds tussen. Ik vond het daar verschrikkelijk. Als je een lange broek aan had moest daar altijd een rok overheen. Netjes, keurig en vooral zedig. Ik kan me herinneren dat ik weleens -stiekem- door zo'n azijnpisser geknepen werd.
Zuster Catharina, het hoofd der school, voelde zich god zelve. Als zij, met haar autoritaire houding de klas binnen schreed, moesten we gaan staan en verwaardigde hare hoogheid met een zelfingenomen knik dat we weer mochten gaan zitten wanneer het haar zinde.
Je kon een speld horen vallen als ze voor de klas stond. Een en al gezag. In de Thomas van Aquinokerk in de Rijnstraat, inmiddels afgebroken en vervangen door flats, kweelde ze tijdens de pontificale hoogmis met haar zalvende stem nét een half toontje hoger.
Ik speelde vaak en graag op straat. Mijn dag kon niet meer stuk als -bij uitzondering- mijn poppenwagen op straat mocht. Zodra ik de hoek om was en uit het alziend oog van mijn moeder gooide ik de poppen eruit en ging er zelf inzitten. Dan commandeerde ik mijn vriendjes het wagentje te duwen zo hard ze konden.
Zonder al te veel gevaar deden we op de rijweg slagbal met rondjes. Veel auto's waren er nog niet. Spoorzoekertje en diefje met verlos behoorden bij ons favoriete vermaak net als springen, tollen, knikkeren en steltlopen. Met brandende fakkels van krantenpapier renden we door de straat, op goed geluk dat mijn ouders het niet zagen want anders kreeg ik een uitbrander: Veel te gevaarlijk, kind.
Ik was een wildebras. Dagelijks geschaafde knieën van het klauteren en klimmen.
Aan het einde van de straat begon het buitenleven. Het landje heette dat.
Daar mocht ik absoluut niet heen van mijn ouders. Naar verluidt liepen op de Ringdijk allerlei enge mannen: kinderlokkers, pedofielen, gluurders en potloodventers, de zogenaamde exhibitionisten. Mijn vriendjes en ik zochten tegen alle regels in het verbodene op.
Op onze beurt gingen we vieze mannen voyeren. We slopen naar verboden plaatsen en waren getuigen van een man die masturberend een vrijend paartje aan het begluren was of zagen latente homofielen die het met andere mannen deden.
Als je even doorliep kwam je uit bij de Boerenwetering waar ik met m'n friese doorlopers heel wat winters heb geschaatst. Bij flinke vorst, ik herinner me wel zo'n twintig graden onder nul, ging ik met mijn vader over de Amstel schaatsen. Kranten onder onze truien vanwege de barre kou.
In het 'De Mirandabad' heb ik de meest gruwelijke herinneringen aan de zwemles. Eerst het bekende droogzwemmen en daarna spartelen aan de hengel. Het heeft jaren geduurd eer ik enigszins onbevreesd het water in durfde te stappen.
Ik ben nog steeds geen waterrat en sport is sowieso niet aan mij besteed.




woensdag 3 augustus 2011

Amsterdam

zus en ik (voorop) in de Meerhuizenstraat

Wat is het heerlijk rustig in de hoofdstad van Nederland. Bijna iedereen op vakantie of naar zijn vader- of moederland. Zelfs de bouwvak ligt stil. Geen getimmer, gehei, gedrilboor, geratel, machinegezaag of geslijptol. De bouwputten liggen er verlaten bij en zonder enige stagnatie rij ik twee keer zo snel door de stad als anders. Op de Albert Cuyp, waar doorgaans geschuifeld wordt, kun je momenteel rolschaatsend over de markt snellen. De zwaar gevreesde vrachtwagens met hun dode hoek die al vele moorden op hun geweten hebben zijn nagenoeg uit het stadsbeeld verdwenen. Sinds enige weken heb ik nagenoeg geen enkele politiesirene gehoord of ziekenwagen met zwaailichten gezien. Zelfs de politie- en traumahelikopter laten het afweten.
Het doet me denken aan een zondagochtend vroegere tijden in Amsterdam-Zuid. Verlaten straten op een enkele wandelaar of kerkganger na. Bijna geen auto geparkeerd in onze Vechtstraat, zoals destijds, toen we als kinderen op de rijweg speelden: diefje met verlos, spoorzoekertje, krijgertje, slagbal met rondjes. De incidentele auto die dan aan kwam rijden werd gesommeerd te wachten tot iedereen zich op de stoep bevond. Periodiek zag je vele spelletjes als rage in het straatbeeld verschijnen. Werd er touwtje gesprongen, kon je er gif op innemen dat je om de hoek evenzo 'in spin de bocht gaat in' hoorde. Als een pandemie verspreidde het springen zich door de buurt.

Nu is 't maar te hopen dat onze huidige jongeren die de Costa's bevolken niet al te ernstig te keer gaan want van horen zeggen schijnen Nederlanders -met stip- berucht te zijn in het buitenland wegens hufterig gedrag. Moge crimineeltjes en hangjongeren de beest uit hangen in land van herkomst om aldaar aangepakt te worden en uitgeraasd zijn als ze wederom ons lage land betreden. De argeloze voorbijganger en ouderen kunnen dan welgemoed, en zonder angst dat hun tasje geroofd wordt of om in elkaar te worden geslagen, hun dagelijkse straatje om blijven maken.
Ik schat nog twee weken rust en dan gaat het 'normale' jachtige leven weer beginnen. Kinderen naar school en iedereen aan de arbeid.
Op naar sinterklaas en de kerst.

woensdag 15 juli 2009

ode aan onze iconen


Toen ik afgelopen zaterdag vernam dat Simon Vinkenoog stervende was, flitste het door mij heen dat precies acht jaar geleden monumentje en rocker Herman Brood van het dak af was gesprongen, de dood tegemoet. Hoe ik zo goed weet dat dat op 11 juli plaatsvond, komt doordat een mij geliefd familielid op die dag jarig is.
Bij overlijden komen weer herinneringen boven van vroeger zoals in de jaren zestig in café de Westertoren op de Prinsengracht, inmiddels ook verleden tijd, lees: elegie voor café de Westertoren waar Vinkenoog en eveneens Johnny van Doorn (the Selfkicker) vaak onder invloed van drank en drugs hun voordrachten ten toon spreidden en ook Bart Huges, de man die een gaatje in zijn hoofd boorde om zijn bewustzijn te verruimen, regelmatig zijn neus liet zien.
Evenzo in de zeventiger jaren, wanneer we met een aantal dichters, schrijvers, filosofen borrelden in literair café Miller in de Binnen Bantammerstraat.
Dichter en spraakwaterval Vinkenoog had doorgaans het hoogste woord. In de jaren zeventig/tachtig was ik geabonneerd op de tweemaandelijkse Kroniek van onze beschaving: Bres, met artikels over (oosterse)filosofie, spiritualiteit, esoterie, tantrisme en zenboeddhisme. Daar schreef Vinkenoog jarenlang zijn rubriek Wereld in Beweging.
Het stemt mij enigszins weemoedig wanneer een icoon onze wereld verlaat. Zeker wanneer dit het fenomeen mens betreft dat niet slechts orakelt over vrijheid en authenticiteit maar het ook laat zien door op zijn eigen gedreven wijze aanwezig te zijn en te leven in een hier en nu waar morgen niet bestaat.

Verwijzingen naar autobiografische verhalen die zich afspelen in de zestiger jaren, waarvan de hoofdrolspelers inmiddels zijn overleden:

donderdag 10 januari 2008

elegie voor café de Westertoren



Vanmiddag ging ik naar café de Westertoren om een Westmalle Tripel te drinken. Groot was mijn verwondering de deur op slot te vinden. Nog groter mijn verbazing, door het raam loerend, de bar gesloopt te zien. Verbouwereerd toen ik na enig speurwerk te horen kreeg dat de kroeg -zomaar- was verdwenen.
De fundering was aan het zakken en het pand stond op instorten, werd mij verteld.
Alweer een stuk nostalgie erbij en een mooi stuk eigen Amsterdam weg, drong het pijnlijk tot mij door.
Het publiek bestond uit een mengeling van een zooitje ongeregeld, eigenheimers, zonderlingen en randfiguren.
Erna, de uitbaatster van het café, zwaaide sinds de jaren zeventig daar de scepter. Jaren later met de onontbeerlijke hulp van haar dochter Lolita. Vrouwen met het hart op de goede plaats. Dat ze daar een sociale functie hadden, was duidelijk.
Voor iedereen een goed woord. De armoedzaaier mocht op de pof drinken, de alcoholist die zich had misdragen, kreeg een forse schrobbering en de agressieveling een duidelijke waarschuwing, alvorens hij een caféverbod kreeg van enkele weken. Ontheemden, eenzamen en verlaten zielen voelden zich hier thuis.
De dames hadden er flink de wind onder.
Ik kwam er graag en regelmatig. In geen enkel café voelde ik me zo veilig als hier.
Niemand viel je lastig, vooral daar een paar oudgedienden aan de bar zich geroepen voelden zich als edele ridder en beschermer te gedragen.
Nu kan ik heel goed m'n eigen vrouwtje staan maar deze charmanterie vertederde en werd bovendien op sommige momenten door mij gewaardeerd.
Op het terrasje voor het raam van de gevel zag je zomers de stamgasten zitten en op het grote terras aan de Prinsengracht zaten de toeristen. Je had een prachtig uitzicht op de Westertoren en ook kon je van hieruit zien dat Anne Frank de hele dag door bezoek kreeg.
Dit was het café vanuit de zestiger jaren, toen ik nog in de Jordaan woonde, waar ik veel herinneringen aan heb.
De feesten die daar werden gevierd, het dichten in de kroeg, de middagen doorzakken. De meeste kroegvrienden van toen die nu bijna allemaal dood zijn.
Weemoedig nam ik afscheid van alweer een stukje verleden.


                         Erna, de bardame


zaterdag 10 november 2007

trauma


Je leek wel een mager gevild konijn toen je geboren werd, heb ik mijn oudste zus regelmatig horen zeggen.
Wat had ik me ontheemd gevoeld, destijds. Ik was vier jaar en liep op een kwade maandagochtend in januari argeloos aan de hand van mijn moeder naar het Amstelstation. Het was koud en het vroor en voor het eerst zat ik in een trein wat op zich al een bijzonderheid was. Alles was grauw en kaal om me heen. We gingen naar Utrecht en daarna met de bus naar Zeist. Ik wist nog niet waarom want in die tijd, in tegenstelling tot nu, werd je helemaal niets uitgelegd als kind maar ik voelde dat er iets niet klopte.
Mijn eetprobleem -ik walgde van voedsel- was de reden dat ik op mijn vierde jaar in een koloniehuis werd gestopt. Zeven weken, om bij te komen. Daar zouden ze me wel leren eten en zou ik van mijn stadse bleekneus afkomen. De boslucht zou goed voor me zijn. Ze hadden uiteraard het beste met me voor.
Gezien eerdere omstandigheden, mijn moeder was zwanger van mij tijdens de hongerwinter, was ik er slecht aan toe toen ik werd geboren. Flink ondergewicht, darminfectie en weinig overlevingskans, had de dokter gezegd tegen mijn ongeruste ouders. Grote geestelijke taaiheid, zei hij een jaar later toen ik reeds op de aardkloot rondkroop. Tegen haar gewoonte in was mijn moeder buitengewoon zwijgzaam onderweg.
We moesten naar Het Laantje zonder Eind. Zuster Bos heette het hoofd van koloniehuis Bethanie. Op het eerste gezicht stond ze me tegen. Een eng mens, koude vissenogen en een vinnig gezicht, lang en mager, in een wit uniform gestoken. Een klein kapje op het hoofd met daar onderuit het haar in een netje samengebonden tot een knotje in haar nek. Een wrat met een paar grote haren op haar kin verbouwde haar gezicht tot een heksenmasker.
'U moet maar meteen gaan anders is het afscheid zo zwaar', zei ze met strenge blik tegen mijn beduusde moeder.
Mijn moeder stond er, haar tranen wegslikkend, verslagen bij. Ik zag de pijn in haar ogen.
'Dag kind', prevelde ze.
Daar ging ze, mijn steun, m’n toeverlaat, degene die ik het meest vertrouwde in mijn korte leventje... weg....
Het werd zwart om me heen, ik bleef achter in een gevangenis van verlatingsangst. Waarom gebeurde dit? Wat had ik misdaan? Dit was toch niet mijn keuze. En omdat ik de hele boel bij elkaar gilde en er geen land met me te bezeilen was, werd ik gelijk in bed gestopt.
'Om bij te komen', zei Bos. 'Wie niet horen wil, moet maar voelen', was haar motto.
Uiteraard was ik onhandelbaar en werd continue van recalcitrantie beschuldigd. Niemand kon voelen wat er zich werkelijk afspeelde achter die muur van verzet. Ik voelde me verschrikkelijk in de steek gelaten en verraden, zo ontzettend eenzaam en verdrietig, zo verscheurd.
Op een avond zat ik met alle bleekneuzen om een lange tafel geschaard voor de avondmaaltijd. We zouden koolraap eten. De weeë geur die door het huis hing had er al voor gezorgd dat mijn keel op slot zat. De koolraap lag als patates frites gesneden op mijn bord. Dooie vingertjes, hoorde ik mijn vader, die een absolute aversie tegen dit eten had, in gedachten zeggen. Het enige wat me te doen stond, was de inhoud van het bord onder de tafel gooien.
Al gauw werd duidelijk wat er gaande was, de boosdoener was snel gevonden want je verrader sliep niet.
Zuster Bos, dat enge mens, kwam met een onheilspellend gezicht dreigend op me af en sleurde me van tafel, gaf me een lel om mijn oren en sleepte me vervolgens mee naar de keuken. Daar probeerde ze alsnog een stuk koolraap in mijn mond te proppen. Vervolgens spuugde ik het even snel naar buiten en allang straal misselijk kotste ik de inhoud van de hele dag uit, zo over haar net gestreken uniform. Razend was ze. Over de knie, met de vlakke hand op mijn blote billen en onmiddellijk naar bed want dat deed je met stoute kinderen. Huilend en ziek van ellende snikte ik me in slaap.
De volgende dag moesten we een wandeling maken door een eindeloos groot bos. We waren met een groep van ongeveer twintig kinderen en een leidster. Ik had nogal last van diarree. Na vijf minuten gelopen te hebben kreeg ik vreselijke aandrang. Ik zei dat ik moest poepen maar dat mocht niet.
'Wachten tot we weer thuis zijn', was het antwoord. De druk werd hoe langer hoe groter en toen ik het uiteindelijk niet meer hield en het zweet me uitbrak, liet ik het in mijn broek lopen. De leidster was woedend. Had ik het niet op kunnen houden? Voor straf moest ik tien meter vooruit lopen en als voorbeeld worden gesteld wanneer je ’t plompverloren in je broek doet. Alle kinderen lachten me uit. Ik voelde me tot in het diepst van mijn ziel vernederd, beschaamd en gekwetst. Het verlangen naar huis was ondraaglijk en met geen pen te beschrijven. Een ziekmakend gevoel van heimwee. De duisternis van de nacht waarin je verzwolgen werd en dat steeds terugkerende misselijkmakende gevoel in je maag waardoor je helemaal niet meer kon eten. Mijn strot zat dicht en het brood werd naar binnen gestouwd, of je wilde of niet. Dan weer kotsen, pak op je kont en voor straf naar bed. Eenzaamheid, gevoelens van verstikking: huilen, krijsen, boosheid, verdriet, frustratie...
Voor mij hebben 'de bossen nooit meer gezongen'. Tot op de dag van vandaag zou ik het liefst met een kettingzaag alle bossen te lijf willen gaan, op een paar oude eiken en beuken na. Knotwilgen in een weiland langs een sloot die doen me wat, of een eenzame cypres op een helling. Wouden van dennenbomen of berkenbomen daar word ik erg triest van. Voor mij is Finland niet weggelegd. Geef mij maar La Mancha in Spanje: eindeloze vlaktes met vele vergezichten, of ons eigen Nederlandje met zijn vele polders.

* eerder gepubliceerd als zevendelig gedicht: 

zaterdag 22 september 2007

ons landje

Omdat binnenkort een familielid Abraham gaat zien, was ik in mijn oude muziekboek Kun je nog zingen, zing dan mee -34ste druk uitgegeven in juni 1949- aan het grasduinen.
Piet Hein van de Zilvervloot leek mij een uitermate geschikt lied om te transformeren in een eigentijds op de persoon toegespitste smartlap.
Het album had ik in zeker dertig jaar niet meer ingezien. Al bladerend viel mijn oog op ons landje

Er is een schamel landje
van water gras en veen
een landje met een randje

van grint en mergelsteen
maar op dat need'rig plekje

bloeit hooge schoonheidszin
geen huisje, ja geen hekje

of schoonheid schuilt erin (bis)

Er is een schamel landje

van regen, wind en mist
waarvan haast ieder zandje

uit zee is opgevischt
maar is dat landje ook arm

toch bloeit de liefde 'r schoon
en klopt het hart er warm

voor vaderland en troon (bis)

Er is een schamel landje

met luchten grijs en grauw
maar hier en daar een bandje

van vreugdenrijker blauw
maar is dat landje ook poover

toch bloeit er moed en trouw
en driemaal wee den roover

die 't landje steelen wou! (bis)



Gemengde gevoelens overvielen mij. Een combinatie van: simpelheid, naïviteit en onschuld. Het jaren vijftig gevoel: rechtschapenheid, grijs- en grauwheid, truttigheid en conservatisme maar ook de nostalgie sprak -vreemd genoeg- een woordje mee.
Ik, die me in de jaren zestig zo had afgezet tegen de gevestigde orde en me verwant voelde met de existentialisten waarbij nadruk op het bestaan, vrijheid en eigen keuze hoog in het vaandel stonden, ervaarde weemoed, heimwee en verlangen?!
Weliswaar niet door het kloppend warme hart voor vaderland en troon maar meer door de soberheid en eenvoud van de tekst. Wat kregen we nu. Tot slot bleven de twee laatste regels van de derde strofe bij me hangen en echoden na: en driemaal wee den roover, die 't landje steelen wou.
Ik plaatste het in het hier en nu.
Wat zijn wij bestolen de laatste vijf decennia: door regering, politiek, de teloorgang van het onderwijs, het grootkapitaal, de zogenaamde vooruitgang, door onvrijheid van meningsuiting (hoewel ze mij nooit de mond zullen snoeren).
Wat moeten we inleveren. Al onze verworven vrijheden en emancipatie worden met voeten getreden. In hoeverre hebben we -collectief gezien- het heft nog in eigen hand.

zaterdag 1 september 2007

de bietebauw

Als kind nam je sprookjes, kinderliedjes en rijmpjes voor lief. Je dacht, voor zover ik me kan herinneren, niet na over de tekst en inhoudelijk ging het min of meer langs je heen.
In de loop der jaren realiseer ik me vaak hoe angstaanjagend een kinderliedje kan zijn:
* Berend Botje die uit varen gaat en nooit weerom komt.
* Over het meisje dat loos is en een pak ransel krijgt van de kapitein in de kajuit.
* Op de woelige baren, daar waar het schip op een klip stoot en met man en muis vergaat.
* Het advocaatje dat op reis gaat en in een graatje stikt.
Tot schreiens toe werd ik bewogen als kind wanneer het volgende liedje gezongen werd:
Helder in de kelder boter bij de vis
Kaatje doe de deur eens open en kijk eens wie er is
't Is een arm meisje om een stukje brood
Geef haar maar een hapje want anders gaat ze dood

Dan de sprookjes:
* Roodkapje, zij gaat door het donkere bos naar haar grootmoeder en treft daar de boze wolf in oma's bed aan.
* Sneeuwwitje, celibatair tussen de dwergen levend (!), wordt achtervolgd door een boosaardige stiefmoeder.
* Hans en Grietje die vetgemest worden om daarna als culinair hoogstandje te dienen voor de boze heks.
* Klein Duimpje die met z'n broertjes in het bos wordt achtergelaten om bij een kannibalistische reus als gigantisch feestmaal te fungeren, per abuis eet de reus echter zijn eigen dochters op.
* Assepoester, bespot door een paar jaloerse stiefzusters en als sloof gebruikt, haar plaats is de keuken waar ze de plaat mag poetsen en door stiefmoeder in de dweilhouding wordt gezet. 
Moralisme is schering en inslag, chantage aan de orde van de dag. Kinderen de stuipen op het lijf jagen, daar zijn ouderen bedreven in. Nu weet ik dat de bijtjes en bloempjes maar deelaspecten zijn van het leven en dat goed niet bestaat zonder kwaad en andersom. Als ik echter m'n kleinzoon uit Grimm zou voorlezen, ligt mijn keuze bij een niet te wreed sprookje en laat hem graag -zo lang het nog kan- in het goede geloven.
Kinderen lijken eng en gevaarlijk aantrekkelijk te vinden of vult de volwassene dat als zodanig in.
Onderstaand Vlaamse liedje over de bietebauw -Vlaams voor boeman- is mij bijgebleven vanuit mijn jeugd en werd bij ons thuis vroeger gezongen met mij aan de piano.
Als je als kind hier geen nachtmerrie van krijgt...

*** Kleine, kleine stouterik,
zoudt ge moeder tergen?
wacht, ik zal hem roepen, ik,
uit de zwarte bergen.
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw!
de bietebauw!

Hoor hem, met zijn berenkop,
op de deuren bonzen.
Krak! hij kruipt een zolder op,
oei, oei, oei, den onzen!
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw!
de bietebauw!

Recht naar bedde komt hij, boe.
riekt aan de gordijne,
doe maar zeere uw oogjes toe,
of ge ziet de zijne!
Grijp, grijp, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw!
de bietebauw!

Neen, neen, neen! Naar buiten, beest,
om de stoute knapen!
Moeders kind is braaf geweest;
kan zoo schoone slapen.
Douw, douw, kindje douw;
zwicht u voor den bietebauw,
douw-douw-dijn;
en zoete zijn!

*** muziek: Emiel Hullebroeck
   tekst: René De Clercq

woensdag 20 juni 2007

dilemma's

                                   


              

Tot de dag van vandaag kom ik mezelf tegen als iemand die moeilijk kan kiezen. Dat gaat vaak om levenskwesties maar ook om trivialiteiten. Zoals een dagelijks terugkerend nachtritueel: poets ik eerst mijn tanden voor het slapen gaan of zal ik me uitkleden. Evenzo kan de volgorde van boodschappen doen lastig zijn. Een café uitzoeken valt ook al niet mee, zal het kroeg Alfa, Beta of Omega worden. Soms gooi ik kop of munt. Als munt gewonnen heeft, ga ik alsnog naar de verloren kop: als eerste.

In de tijd dat ik nog wel eS op reis ging, was het te hopen dat er niet meer dan één, hooguit twee hotels op m’n lijstje stonden. Als ik nummer één had gezien, wilde ik er van overtuigd zijn dat hotel twee niet beter zou zijn. Stel, je zou iets moeten missen! Als er in het verschrikkelijkste geval nog hotel drie, vier of vijf in de aanbieding waren, kon dat ontaarden in een regelrechte ramp. Mijn medereizigers werden wel eens goed gek van mijn besluiteloosheid.

Zo ook het restaurant fenomeen. Tafel voor het raam, nee daar zitten te veel mensen in de buurt, tafel rechts, nee de muziek te hard, tafel links... ehhe...  

Voor mij is het leven een groot dilemma. Ik denk dat het in m’n genen zit.

Ik herinner me dat mijn vader op een mooie zondagse dag kon zeggen: Kom moeder, kom kind, we gaan vandaag langs de Amstel fietsen.

Nadat alle banden waren opgepompt -de fiets gebruikten we destijds alleen om tochtjes te maken- en de tas achterop gegespt, konden we eindelijk vertrekken. In de ene helft van de fietstas zaten belegde boterhammen, thee en allerlei lekkers. De andere helft was bestemd voor mijn vaders schildersspullen: palet, tekenschrift, penselen, doek, verf en een veld ezeltje. Schilderen was zijn grote passie.

We woonden toen aan de rand van Amsterdam in Oud-Zuid. Voordat we de straat uit waren begon mijn vader al te brullen: rechts af.

Maar dat was toch niet richting Amstel? Nou ja, dan maar de polder in...

Na een half uur fietsen zei vader nu maar eens naar een schilderachtig plekje uit te kijken van waaruit hij iets kon opzetten.

Goed idee. Ik wilde allang lekker rollebollen in het gras en paardenbloemen, boterbloemen, madeliefjes en vergeet-mij-nietjes plukken.

Op zo’n moment kreeg vader een wonderlijk zoekende blik in zijn ogen en speurde iedere graspol tot de einder af.

Vader, daar bij die molen, wees ik enthousiast.

Nee, er staat geen treurwilg bij.

Vader, hier bij deze oude boerderij.

Nee, want de koeien staan niet mooi in verhouding tot dat huis daar. Slechte compositie, bromde hij dan.

Gek werd ik ervan als kind. Als we aan het einde van de middag alweer de eerste huizen van de Zuidelijke Wandelweg in het vizier kregen, was de lol ervan af. 

Vader mokkend omdat hij geen plekje was tegengekomen vandaag en nog geen penseel op het doek had kunnen zetten op z’n kostbare zondagmiddag.

Gelukkig waren we weer thuis en kon ik met mijn vriendjes buiten spoorzoekertje en diefje met verlos spelen.