zondag 1 april 2012

Gertje

Toen ik zaterdag van de Noordermarkt afkwam en langs mijn oude woninkje reed in de Jordaan, stond de deur open.
Nieuwsgierig loerde ik naar binnen en zag dat het trapgat was afgesloten. Een damesjup en een paar koters stonden bij de deuropening en ik begreep dat zij daar nu woonden. Het hele pand hadden ze gekocht en de ingang was via het benedenhuis. Mijn oude trap fungeerde als berghok.
Zesenveertig jaar geleden woonde ik op de eerste verdieping van dat huis in de Tuinstraat voor slechts drieëntwintig gulden per maand. Gertje woonde in de Egelantiersstraat pal achter mij. Ze was etser en leed aan manies. Tijdens de periodes van hard werken, etste ze duurzaam naar een expositie toe, ruimde obsessief haar huis op en leefde als kluizenaar. Ogenschijnlijk degelijk en solide.
Als het omsloeg, kwam ze in de oppositie: 180 graden de andere kant op. Haar huis werd een puinhoop, haar ogen stonden bezeten, het was afgelopen met werken en ze hing uitsluitend nog maar in de kroeg rond. Ze verzoop al haar geld, gaf gulhartig rondjes weg en gedroeg zich als een furie.
Als ik met haar aan de bar hing, moest geen man het proberen naar mij te lonken, laat staan versieren want Gertje sprong op en met het gebaar van een Gorilla die op z'n borst klopt, brulde ze dan: kijk voor je, dat wijf is van mij-ijijijijijijij.
Althans dat laatste dacht ze.
Tenslotte werd haar overal de deur geweigerd met name die van het café. Alle grenzen vervaagden, ze kon werkelijkheid niet meer van illusie onderscheiden en ze fantaseerde erop los.
In die periode hield ze op zekere dag voor enkele vrienden een elitair feestje. Ook ik behoorde bij de genodigden. We zouden komen eten.
Kip uit de oven, verklapte ze met een té ondeugende blik.
Het bezoek druppelde binnen en op haar platje heerste al gauw een grote feestvreugde. De ene fles wijn na de andere werd achterover geslagen en iemand had rode Libanon bij zich. Dat was nog eens goeie hasj.
Daar kwam Gertje aan met een grote schaal waarop vier dampende kippen lagen.
Het selecte gezelschap bestond uit kunstenaars, leeglopers, nietsnutten en ander langharig werkschuw tuig die al een paar dagen bijna niks gegeten hadden vanwege hun lege beurs. Niets kon de feestvreugde meer verstoren.
In de tuin naast ons hoorden we opeens een luid gevloek. De buurman, die tevens kippenboer was, liep met een rood aangelopen, van huisuit vadsige, bolle kop naar de rand van het platje. 
Hij had toch altijd eenentwintig kippen in z’n tuin lopen...
Hij telde razendsnel zijn farm en brulde: ik heb er nu nog maar zeventien en jullie… en jullie… en jullie… Hij sprong zowat uit z’n vel.
Ja, grijnsde Gertje boosaardig met haar puntige wijsvinger naar de gebraden hennen wijzend: en die… en die… en die… zijn van jou-ououououououou!

1 opmerking:

  1. Je weet het hè. Ik zeg niet dat ik het mooi vind, maar ik heb ervan genoten en ZIE het voor me.

    BeantwoordenVerwijderen