zondag 8 april 2012

De Kampplaats

vierde deel:

Sinds lang is de nacht langs zijn zenith geschreden,
sereen heeft Selena de jachtrit aanschouwd;
reeds lang zijn de rossen amechtig gereden,
dan nadert de bent het bivak in het woud:
hun kampplaats - een rampplaats voor drieste vandalen;
de rossen zij lossen hun dubbele vracht.
Het schuchtere mos licht vol schone schandalen,
barbaars brandt het bos in een sombere pracht.
Het plechtige woud staat vol vlammende vuren;
het geurige hout geeft een tampere walm.
De rook rijst rechtop met een hoge allure,
als was elke rookzuil een roerloze palm.
Koortsig gegraaf naar verstopte Jan Doedel.
Rink'lend onthalzen der Veuve Cliquot.
Koortsig gegraaf naar een fles pruimenstroedel,
die fraai wordt versierd, als symbool van de show.
La Lesbia's schaam, met zijn machtige knevel,
is pièce de milieu van dit buikig menu.
Dit soort status quo wekt een wachtende wrevel:
het sec „sowieso" een spontaan „nondeju"!
Sindoro blikt neer op de went'lende teven.
Zijn brallende toespraak klinkt ietwat verward.
Vermaan, dat kwartier dient gevraagd, noch gegeven:
dan lost hij het schot tot de vliegende start.
Vermetele Charge der Louche Brigade:
doldrieste attaque op het maagdelijk vlies.
Tirade op Tennyson's Britse Ballade
en zij stormen vooruit, met de hand aan de spies.
Hymen to left of them, hymen to right of them,
Hymen in front of them, parted and thundered
but onward and heedless of spawn or mayhem
rode the undaunted One Hundred.
(theirs not to reason, to shirk or to chuck,
theirs but to do, to attack and to fuck)
Complot tot een reeks ondermaanse injecties,
romanisch project in dit panisch boudoir.
Gordiaans knoopkruid vol zwangzaadconnecties:
de deugd hangt tegeef als een bang suspensoir.
Knallend begin van een reeks defloraties.
Gratis donaties van technisch advies.
Metéén al urgentie tot noodreparaties:
zwaartillend gehijs aan een lillende lies.
Standen, ontleend aan het boek Kamasoetra,
geparafraseerd met een westers vernuft,
die een kenner, verwekt bij de stroom Brahmapoetra,
waarschijnlijk tot stomheid toe hadden verbluft.
Haarscherp détail van een aardige yoni,
door toortslicht verrast in een eng soixante-neuf,
innig gekust door de baardige tronie
van een schotse tamboer uit de clan van MacDuff,
wiens doedelzak fiks wordt gepijpt door een pure
vestaal, slechts vertrouwd met cymbaal en spinet,
die plots zeer adept blijkt in haar embouchure
op de manlijke fluit bij arcadisch minet.
Brullend gelach om een broekloos mirakel,
tweemaal met brandnetelstengels gepaaid;
driemaal vervolgd onder heidens spektakel;
viermaal gevangen en tòch niet genaaid.
Kansloos strippoker met bankroet canaille.
Sappig discours over hippisch incest.
Steekspel om 's keizerin's Baard de la Taille;
doelloos debat over oorlogsmolest.
Rillend genot bij een gillend orgasme,
extatische vloeken bij dreunend genaai;
kreten, vervuld van een veil pleonasme:
hijgende zuchten en kreunend gekraai.
Applaus om een foutloos gereden prestatie
„of force and adroitness" - op zadelloos paard.
Terloopse kritiek op een paring vol gratie
door afgemat trio, dat gade-loos kaart.
Blakend debuut van ontwakend libido.
Klotsend gefots in een duistere hoek.
Schuchter verzoek om een bruidsreis naar Lido
(desnoods derde klas) met Lissone of Cook.
Gekrijs om de prijs van een woudbloemencorso
van vette blondines: wat mos en wat rips,
met sperma geplakt op hun spiernaakte torso -
een maagdepalm in hun beschadigde bips.
Tableau Vivant door de Blonde Brabagne
(kenlijk geleerd in een Gallisch bordeel),
op zijn rug op een mosbed, gedrenkt met champagne,
verwekt hij gejuich met een vuig tafereel:
op zijn mond rust de kont van een grappig Sabijntje,
zo hitsig en rits als een vrolijke vaars;
zijn tong tot de huig in haar sappig vagijntje;
zijn reus van een neus in haar olijke aars.
In elk van zijn handen de schelp van een Venus;
het spel van elk tenenstel kietelt een griet -
een zesde zit schijlings, doch recht op zijn penis
en rijdt op de maat van een liederlijk lied.
Il Toro geeft blijk van enorme potentie:
een paringsfrequentie, door niemand behaald.
Zijn harem geniet geen moment indolentie,
doch blijft „in the running", en heet van de naald.
Zó zout heeft geen woud het tot dusver gefroten!
Nog nimmer aanschouwd zulk een boud bacchanaal -
nooit werd zo kwistig met sperma geschoten;
zo zoetig gevooisd met zo zoutig een taal.
Géén loofhout zag ooit zulke machtige kloten -
geen mastbos had immer zo prachtig een paal
als die van Sindoro, qua gaafheid en grootte
supreem, en de spil van dit stout saturnaal.
O, trots van Sindoro! O, knots van een phallos!
Zelfrijzend monster, met handelsmerk "Cham!"
Geen vrouw kon zo down zijn, zo diep in de dallas,
die niet op verhaal kwam bij 't zien van díe tam!
Kreten van: „Oh!" bij 't zien der erectie,
welks beeld men nooit trof in een nuchtere krant.
Verrukte verbazing en schuwe inspectie -
voorzichtig getast met een schuchtere hand.
Isabella-getint camisool vol met strikken,
nimmer gekust door een bandeloos sop.
Glimpen van schaamhaar aan schimpende blikken:
flard van een flirtend chemise-enveloppe.
Briljante close-up van een schaamberg vol veren;
lila fantoom van een somber paskwil.
Gezellig aroma van dolende heren,
spiegelend beeld van een kleffe mandril.
Buiken met navels als blinde lantarens,
Kwansuis vertrek naar een nette picnic,
Stomend gewals op een sofa vol varens -
hilarisch tournooi op de steevaste pik.
La Lesbia (heel nog, schoon ietwat geschonden)
ligt pal in het centrum van lal en jolijt.
Haar benen (gespreid aan twee paaltjes gebonden)
onthullen een schaamspleet, een handbreedte wijd.
Dit gapend ravijn wordt het centrum van actie:
zo prachtig een gleuf dient ten snelste geschroefd.
Haar machtige schaamberg verschaft een attractie,
waarop men om beurten zijn krachten beproeft.
Zó groots een tractatie veroorzaakt stagnatie:
gedrang en geschreeuw van „Ik eerst en jij straks!"
Vertwijfeld geroep om een spoed-irrigatie,
die ijlings geschiedt, met een soort Minimax.
François, Comte du Droux, ironiek en vermetel
(omringd van zijn schildknaap, zijn schandknaap, zijn nar),
levert spitse critiek uit zijn prachtvolle zetel,
geplaatst aan de voet van een oeroude spar.
Subtiel savourerend zijn Bénedictine,
één mondhoek getooid door een tâche de beauté,
bij wijlen citerend een flard Lamartine,
roept hij: „Pas reculer que pour mieux sauter!"
„Ah... toujours poussés vers de nouveaux rivages
dans la nuit éternelle emportés sans retour...
Sindoro! Chevalier! Oh, làlà... quel montage!
On dirait: désastreux pour son propre-amour..."
Het vlammenlicht danst in zijn spottende ogen
en glanst in de ring met zijn rode robijn.
Zijn brocaten gewaad ligt met gloed overtogen -
de ragfijne kant heeft een zilveren schijn.
„Mes enfants... regardez! Qu'est ce que c'est? Un mirage?
Le Maîtro Toro... sur une vierge percé!
Ma fois! En tenant dans son bec un fromage!
Hélas, La Fontaine... mais il lui faut manger."
Het buitenste vuur wordt door ieder gemeden.
Daar wordt wat gescharreld - banaal en vulgair.
Iets beter is dit hier, waar kwiek wordt gereden
de klassieke parforce-rit (ventre à terre).
Vuurwerk van bandeloos kuitengeflikker.
Soloballet, onbekleed door één snars.
Mondscheinparade van fluitengekikker,
gehopt op de maat van de huwelijksmars.
Romeinse stoppage van overnaads naaiwerk;
Panem et Singerem, dubbel en dwars.
Poëtische rage van Paul van Ostaaywerk:
grijpstuivertombola, honend en bars.
Goedkeurend geproef aan een fraîse glans penis;
laatdunkend gesnoef op een tam van een el.
Hoogdravend geschroef op een griet die gans héén is -
Kielhalend geloef - met een schoot buitenspel.
Gekrijt en gesmijt met een heel goed japonnetje,
te lang reeds geduld rond de bast van een lief.
Smakkend gesmijt met een speelgoedballonnetje,
gemaakt van een zaadgevuld preservatief.
Ping-pong met een teelbal, getikt van twee Lotjes;
dronken gelal bij een valse guitaar,
versierd met trofeeën van lekke kapotjes
en veroverde scalpen van engelenhaar.
Woordkunstig gesprek, dat verbazend gekuist is
van het stoere woord „hoer" en de dwaze naam „hip".
Hardnekkig dispuut over wat nu juist is:
een hazeschaamlip of een schaamhazelip.
Wat nu? Een maagd, die vertikt om te zwichten!
Vergeefs heeft men driemaal haar bilwerk berend.
Men dromt om haar heen met bezwete gezichten;
zij vloerde zojuist de King Kong van de bent.
Doch een ridder, vermaard om zijn jambische dichten,
grijpt fluks een trochee, zet een knie in haar krent
en weet haar behendig een beentje te lichten.
Het eind van het lied... is een enjambement.
Het perzikenhuidje van menig jong bruidje
wordt mal getraîteerd tot een haveloos vel.
Maar óók wordt gewaagd van een stichtelijk spruitje,
dat hier zich gedraagt als een laveloos lel.
Vinnig gestrengel van armen en benen.
Pinnig gehengel naar billijke griet.
Innig gezwengel door deze en gene;
minnig gebengel van menige tiet.
Sophistisch geklets op ontbolsterde billen.
Sadistisch gepets op wat biefstuk tartare.
Snollig gemats met een paar die graag willen -
prollig gepats met een pooiersgebaar.
Lady Chatterley's Lover, in volle bezetting,
blijkt reuze voor dit dilettantentoneel.
De hoofdrol vervult hier een woudbloemenketting,
gedraaid rond Sindoro's gigantische steel.
Lucullisch tournooi over proeven van sperma,
georganiseerd door François, Comte du Droux.
Hij blinddoekt zes maagden, beginnend bij Herma,
en vraagt hun: „Van wie?" - na gezuig aan een roe.
Herma lijkt glansrijk te winnen op punten:
Sindoro smaakt bitter; Brabagne wat wrang.
Maar Magdalena blijkt in techniek uit te munten:
háár tanden beschramden geen enkele stang.
O, zoentje erop en klapje ertegen!
Verhef u, genotsknots - nog één keer -allà!
Appèl tot een del, in elkander gezegen -
niet meer te bewegen - hors de combat.
Sindoro raakt klem met zijn linker testikel.
François slaat hem gade, en flagrant délit.
(Zijn plompzakken baarde dit pijnlijk perikel,
een welkom object voor Du Droux zijn esprit).
Twee sappige tepels, die hingen als klepels,
bekomen één rover wat zwaar op de maag.
François keurt urine uit zilveren lepels,
een derde eet faeces en vordert gestaag.
De dieren des wouds vinden hier een tractatie:
acht mieren betreden een eenzaam vagijn.
Een kever verdrinkt in een plas masturbatie,
een duizendpoot rent langs een evennachtslijn.
Een mierenleeuw bijt in een machteloos scrotum.
Een pissebed, argloos op zoek naar een dak,
verzeilt in een schaamspleet - o, noodlot, dat doodt 'm! -,
die juist werd gereinigd met rum en cognac.
Een flard van een schaamlip hangt hoog in de sparren.
Een kwak gelig sperma druipt loom langs een beuk.
Drie maagden beginnen alreeds te verstarren:
hun buiken gebutst door het dreunend geneuk.
 Dan, lillend en teder - in lauwwarme fluister,
staat klinkend Brünhilde haar panstalen borst.
Viriel schalt haar stem door 't Wagneriaans duister:
„Wie mot er nog kroepoek, of zuurkool met worst?"
Dan ebt het conflict in dit tragisch gebeuren.
La Lesbia's schaam is een droeve spelonk.
De nachtwind is drachtig van machtige geuren -
de windroos omruist nu het slapend geronk.
Roemloos failliet van het stoer masochisme,
nachtmerries zwevend in nymphomanie.
Zwevend gemijmer in fotsend monisme -
coïtus F-dim... dan het hartloos: „Adie!"
Aphrodite druipt in het moment suprême.
Venus vertoont, in het zenith van pracht,
de macabere grijns van het kwartuur: „je t'aime"
en Eros verzinkt in het nadir der nacht.
Diana rukt in - door Apollo verdreven.
Priapus wijkt - door het daglicht verrast.
Nooit zag de dag zo strident een stilleven:
leeg rust een kruik naast een buik van albast.
Leeg is het fust, en de rust na de ruzie
waart door de lucht lijk een zucht zonder baat.
Moe is de buik: droeve fuik van de fusie,
potent monument voor het zaad van het kwaad.
Verzadigd zijn zij, die de schanddaad begingen.
Verschoten de klankkleur, de hom en de kuit.
En boven het woud - in zijn gierige kringen -
cirkelt de ooievaar: loerend op buit.
Loens mardi-gras van homerisch sadisme.
Pijnlijk abuis rond een kwalijk devies:
kermesse d'epée van een phallisch sophisme:
het rechteloos hymen wuift mat in de bries.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen