Posts tonen met het label begraafplaatsen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label begraafplaatsen. Alle posts tonen

dinsdag 14 april 2015

dodenakker Zeeburg

zoals eerder genoemd
vertoef ik volgaarne op plaatsen 
waar het grote zwijgen van gene zijde
hoorbaar is
zie daarvoor mijn begraafplaatsen

tussen het Flevopark en Indische buurt 
ligt de drie eeuwen oude 
een schoonheid 
van een verlaten verwaarloosd gebied 
met ruim honderd
herstelde en gerestaureerde grafstenen  

het moerassige pad trekt door een gebied
van acht hectare 
waar de natuur haar gang gaat
stilte en verlatenheid zijn alom aanwezig
met het gekras van kraaien
als enig passend geluid 



zaterdag 24 mei 2014

ultieme liefde

mag ik naast je liggen
in het graf
jouw geraamte
ruggengraat en ribben
koesteren

je schedel
betasten
in het mausoleum
der dood
je skelet omhelzen

wee, gebeente en
hardheid voelen
van botten
je knekels horen kraken
schonkig en bonkig

wij samen
tot op het bot
in onze eigen crypte





donderdag 30 januari 2014

van de schoonheid en de vergankelijkheid

waar het grote zwijgen
van gene zijde
hoorbaar is

* enige korte filmfragmenten * 


mijn beschouwend exposé
van enige jaren geleden
getuigt hiervan:



dood onontkoombaar inherent aan leven


 ik passeer oude 
cipressen en essen
een toverhazelaar


wanneer je als de dood
voor De Dood bent
heb je geen leven


vergankelijkheid tastbaar aanwezig


vanuit stilte gene zijde
terug naar de wereldse chaos


amen

woensdag 12 juni 2013

waarover spraken zij

tussen de stille graven
onontkoombaar
onafwendbaar
onherroepelijk
ligt onze toekomst
transformatie van de
ultieme vergankelijkheid

laat ons echter
voorlopig
in dit aards bestaan
het leven volop genieten



                                                begraafplaats Sint Barbara

vrijdag 14 oktober 2011

't Huis te Vraag




Op een van mijn zwerftochten naar de Oeverlanden kom ik langs begraafplaats 't Huis te Vraag. Tussen 1891 en 1962 zijn daar zo'n 12.000 mensen begraven. Het kerkhof zelf is op sterven na dood, het zou initieel ontruimd worden maar door de nieuwe wet op lijkbezorging is de periode van grafrust verlengd tot latere datum. Sinds 1987 wordt deze necropolis beheerd door een kunstenaarsechtpaar. Zij wonen in de voormalige aula van de begraafplaats en hebben een waar eldorado geschapen van een eens zo dorre woestenij. Bij de ingang zie je een stenen brug over een grachtje. Het smeedijzeren hekwerk staat open. 
Ik vervolg mijn smalle pad. Bij het zien van deze dodenakker raak ik met terugwerkende kracht door nostalgie bevangen. Sowieso heb ik iets met kerkhoven: de stilte en rust die je daar aantreft. Hier hoor je het grote zwijgen van gene zijde. Een diep gevoel van gedenkwaardigheid voor dat wat ooit was, overvalt me.
Ik haal mijn hart op aan mijn geliefde vergankelijkheid en zie allerlei oude bomen en een ongelooflijk weelderige groei van klimop deels over graven en zerken, de paden zijn vrijgehouden. Ik ontwaar kastanjebomen en een toverhazelaar. Het lijkt of deze laatste ook is overleden, echter in verval blijft het zijn grilligheid behouden. Ik passeer oude cipressen en essen. Het is een bijzondere biotoop, een fraaie verzameling van bomen en heesters.
In gedachte filosofeer ik over dood en leven. Waarom een schrikbeeld over een ooit naderend einde dat ons allen te wachten staat, een angst voor de onherroepelijke toekomst. Dood is inherent aan leven, daar ontkom je niet aan. Het is de enige zekerheid die we hebben, buiten onze twijfel om. En verdomd, als ik mijn blik op een ander punt richt, zie ik daar de Man met de Zeis die met zwaaiende bewegingen het lange gras maait. Magere Hein nu reeds zichtbaar! Is het uur van sterf en bederf dan zo nabij?
Op de terugweg zit het echtpaar genietend in het zonnetje. Ze knikken mij vriendelijk toe en ik groet, opgewekt tussen de graven, terug.









vrijdag 30 mei 2008

i.m. Fran

Vorige week overleed mijn buurvrouw van in de tachtig. 
Haar dochter vroeg mij of ik iets op de begrafenis over haar moeder wilde vertellen.
Gedurende dertig jaar is Fran mijn buurvrouw geweest. Haar tuin grenst aan de mijne en over de heg wisselden we weleens van mening. 
We kwamen zelden bij elkaar over de vloer maar hadden een gentlemens agreement of eigenlijk een damesaccoord: in noodgevallen zouden we een beroep op elkaar kunnen doen.
Hoewel ze geen makkelijke dame was en iemand waar je niet omheen kon, is er nog nooit een onvertogen woord tussen ons gevallen. En dat wil heel wat zeggen in zo'n jarenlange burengeschiedenis.
Over haar leeftijd was Fran vaag maar ze had me wel verteld dat ze Waterman als sterrenbeeld was en daar ging ze dan ook zeer prat op. 
'Jij snapt mij wel, jij bent ook waterman,' zei ze me regelmatig. 
Vooral als het ging over excentriciteit en vrijheid, eigen aan dit zonneteken. Want excentriek was ze. Een karakteristieke verschijning. Parmantig en kordaat liep ze over straat met zwierig gekleurde rokken en zelden blootshoofds. Ze hield van hoedjes. In alle vormen en kleuren. Van alledaagsheid kun je niet spreken.
Fran gaf me de indruk dat ze het eeuwige leven zou hebben, gezien haar vitaliteit en energie. 
Begin jaren negentig van de vorige eeuw overleed haar echtgenoot. Toen brak voor haar pas de werkelijke vrijheid aan. Los van knellende huwelijksbanden ging ze op reis. Vaak naar Engeland zoals ik begreep. 
Ze voelde zich vrouw van de wereld en dat straalde ze ook uit.
Vol verve kon ze praten over de vele rollen die ze had in films en het figureren in reclamefilmpjes. Ze voelde zich daar als een vis in het water.

Fran, vandaag heb ik een roos uit je eigen tuin geplukt waar je zo trots op was. 
Ik blijf me jou herinneren als een levensgenieter. Een markante persoonlijkheid uit het Amsterdamse beeld is verdwenen.

donderdag 1 november 2007

i.m. Sharon


Toen ik afgelopen dinsdagavond op de club aan het bridgen was, ging onverwachts mijn mobiel af. In de stilte en concentratie van het spel klonken de ijle klanken van Purcells Dido en Aeneas. Zeer ongemakkelijk mompelde ik dat het mijn begrafenismuziek was die ik als tune op mijn mobiel had gezet. Om alvast te wennen, schertste ik. Later bleek dat ik het bericht had gekregen dat Sharon was overleden.
Sharon, een Amerikaanse, die 40 jaar geleden, liftend uit Kopenhagen, het liberale tolerante Amsterdam kwam binnenlopen was trots op haar Nederlanderschap sinds 1975.
Ik ontmoette haar gedurende anderhalf jaar op de filosofiegroep bij Theo de Mare waar we twee keer per maand bijeenkwamen. Ze was iemand met grote sociale betrokkenheid. Eigenlijk een hippie in hart en nieren en trouw gebleven aan haar idealen. Ze was uitgesproken in haar denken over mondiale ontwikkelingen en haar verlangen naar alle Menschen werden Brüder. Ze ging geregeld naar andere culturen in Zuid- en Midden-Amerika voor contact, uitwisseling en vrijwilligerswerk. Een vrouw met het hart op de goede plaats.
Dat Sharon ziek was wist ik reeds vanaf 29 juni van dit jaar toen ze in een email te kennen gaf dat ze voortijdig haar reis in Guatemala en Mexico had moeten beëindigen omdat ze draadjes bloed in haar spuug ontdekte tijdens het hoesten. Het bleek dat ze drie kleine tumoren had, in haar long, schedel en de adrenaline klier boven de nier.
Hoe voelde ze zich? Verbijsterd, verdrietig en een beetje bang. Hoe kon ze, vroeg ze zich af, met haar gezonde levensstijl en positieve houding kanker krijgen. Ze schreef dat ze in een uitstekende conditie was, bevestigd door haar artsen die haar zouden helpen te herstellen. Wat er ook zou gebeuren, haar innerlijke vrede en rust zouden haar steun geven.
Drie weken later kreeg ze het slechte nieuws. Haar longkanker was ongeneeslijk. Ze had misschien een paar maanden, misschien een jaar. Triest maar niet tragisch dacht ze op het ene moment. Op een ander moment was ze het vergeten en genoot van alles om zich heen. Dan weer was ze volkomen verslagen, verbijsterd en dacht dat het niet waar kon zijn.
Eind augustus schrijft ze me dat ze zich uitstekend voelt. Ze is wel kortademig en gauw moe maar ze is niet afgevallen en de tumor in haar long is in de laatste twee maanden niet gegroeid. Ze denkt niet meer aan een naderende dood, al houdt ze er rekening mee dat dit zou kunnen veranderen.
De informatie over een uitvaart die ze heeft verzameld, heeft ze ironisch in een mapje rouwkost gestopt en terzijde gelegd.
Begin oktober krijg ik een email waarin ze vertelt dat de tumoren niet zijn verkleind maar juist in een heel snel en agressief tempo gegroeid. Het is nu niet een kwestie van maanden maar weken. Als ze zich fit genoeg voelt en toestemming krijgt, wil ze haar familie in de VS bezoeken. Ze heeft geen gevoelens van vrees of woede, wel verbijstering en verdriet maar ze kan dit allemaal verwerken, schrijft ze.
Half oktober laat ze weten niet naar de VS te gaan. Haar lievelingszus is op bezoek. Ze geniet enorm van de haar gegeven tijd. Iedere dag is een dag.
Dan besluiten Theo en ik op zeer korte termijn Sharon te bezoeken waar ze zich erg op verheugt. Dat vindt plaats op maandagavond 22 oktober. Ze komt op mij alert over en verre van terminaal. We filosoferen over het leven en de dood. We drinken een glas wijn en maken plezier. Verre van een begrafenisstemming. We beloven over veertien dagen terug te komen.
Maandagavond 29 oktober -precies vier maanden na de diagnose- is ze gestorven. In alle eenzaamheid. Men vond haar de volgende ochtend naast haar bed. Haar gezicht verkrampt. Een straaltje verdroogd bloed uit haar mondhoek. Aanstaande maandag, de dag van ons geplande bezoek, wordt ze gecremeerd. Op De Nieuwe Ooster.
Moedige strijdbare Sharon. We hebben gelukkig nog net bijtijds afscheid kunnen nemen.



zaterdag 20 oktober 2007

crematie




Vorige week is een goede kennis van mij uit haar lijden verlost. Na jarenlang excessief drankmisbruik is ze uiteindelijk aan uitputting overleden. Een longontsteking gaf de genadeslag. Ik besloot naar haar crematie te gaan en kon meerijden met een vriend van de overledene.
Hij kwam mij met z'n Arola ophalen. Ik hees me in zijn brommobiel en als twee gestopte worsten in een koekblik reden we richting Oosterbegraafplaats. Ik stond versteld hoe wendbaar dat kleine karretje is. Over allerlei heuvels en versperringen kwamen we al hotsend op de Middenweg aan. Nog vijf minuten en we zouden op de plaats van bestemming zijn, dachten we.
Dat we een straat te vroeg afsloegen hadden we niet zo snel in de gaten en voor we het wisten waren we verdwaald in een labyrint van straatjes en pleintjes.
Toen we bij een vuilstortplaats kwamen en daar een paar werklui in actie zagen, ging ik maar eens vragen waar de begraafplaats was. Dat wisten zij niet want ze kwamen uit Brabant maar een was zo helder om ons naar honderd meter verderop te wijzen want daar had hij een grafsteen zien staan. We arriveerden op de aangewezen plaats en het bleek dat we aan de achterkant van het kerkhof waren beland. Inmiddels waren we al een kwartier te laat en reden met de Arola over een kiezelstenen pad.
Ook hier waren geen aanwijzingen naar de ingang of uitgang van het dodenoord te bekennen.
Plots kwam ons uit tegenovergestelde richting een rouwstoet tegemoet van uitsluitend zwarte mensen. Mijn reisgenoot wist me te vertellen dat een week geleden een Ghanese man van het balkon was gesprongen op de vlucht voor de politie omdat hij illegaal was. Hij had het niet overleefd, bleek. De bonte stoet van minstens vijftig meter lang bestond uit mannen en klaagvrouwen. De vrouwen leken in trance en schreeuwden ach en wee in hun eigen taal. Sommigen maakten bezwerende gebaren terwijl ze zich kronkelend voortbewogen. Andere vrouwen zakten door de knieën, werden omhooggetrokken en vervolgens ondersteund door de anderen. Wij weken uit met onze Arola, want wensten niet onder de voet gelopen te worden, en keken onze ogen uit. 
Toen we alweer tien minuten verder waren, vonden we uiteindelijk de hoofdingang waar een gastvrouw ons begeleidde naar de plek waar we moesten zijn. De Arola mocht niet voor de deur geparkeerd worden. Omdat mijn metgezel nog maar twintig procent van zijn ademhalingsorgaan kan gebruiken, vanwege een longemfyseem, kwam hij hijgend en puffend aanlopen. Weliswaar met een gigantisch boeket bloemen. Dat had ze nog tegoed van mij, zei hij.
Wij werden binnengelaten en weg gepropt in het kleinste kamertje van het crematorium en ik kon nog net de laatste woorden van de speech verstaan: de overledene is nu bij mama in de hemel.
Er waren weinig mensen maar toch moest de helft blijven staan, waaronder wij. In deze benauwde omgeving mochten we getuige zijn van een engelachtig koor van James Last-achtig allooi en in die tijd konden wij de dode herdenken. Daarna was er koffie en cake en kon ik de gedachte niet onderdrukken dat de overledene en ik in haar goede tijd regelmatig grappen maakten over een spetterende begrafenis mét champagne.
Haar crematie was zoals ze de laatste jaren had geleefd: miserabel, triest, kleurloos, saai en armoedig.