zaterdag 20 oktober 2007

begrafenis versus crematie




Vorige week is een goede kennis van mij uit haar lijden verlost. Na jarenlang excessief drankmisbruik is ze uiteindelijk aan uitputting overleden. Een longontsteking gaf de genadeslag. Ik besloot naar haar crematie te gaan en kon meerijden met een vriend van de overledene.
Hij kwam mij met z'n Arola ophalen. Ik hees me in zijn brommobiel en als twee gestopte worsten in een koekblik reden we richting Oosterbegraafplaats. Ik stond versteld hoe wendbaar dat kleine karretje is. Over allerlei heuvels en versperringen kwamen we al hotsend op de Middenweg aan. Nog vijf minuten en we zouden op de plaats van bestemming zijn, dachten we.
Dat we een straat te vroeg afsloegen hadden we niet zo snel in de gaten en voor we het wisten waren we verdwaald in een labyrint van straatjes en pleintjes.
Toen we bij een vuilstortplaats kwamen en daar een paar werklui in actie zagen, ging ik maar eens vragen waar de begraafplaats was. Dat wisten zij niet want ze kwamen uit Brabant maar een was zo helder om ons naar honderd meter verderop te wijzen want daar had hij een grafsteen zien staan. We arriveerden op de aangewezen plaats en het bleek dat we aan de achterkant van het kerkhof waren beland. Inmiddels waren we al een kwartier te laat en reden met de Arola over een kiezelstenen pad.
Ook hier waren geen aanwijzingen naar de ingang of uitgang van het dodenoord te bekennen.
Plots kwam ons uit tegenovergestelde richting een rouwstoet tegemoet van uitsluitend zwarte mensen. Mijn reisgenoot wist me te vertellen dat een week geleden een Ghanese man van het balkon was gesprongen op de vlucht voor de politie omdat hij illegaal was. Hij had het niet overleefd, bleek. De bonte stoet van minstens vijftig meter lang bestond uit mannen en klaagvrouwen. De vrouwen leken in trance en schreeuwden ach en wee in hun eigen taal. Sommigen maakten bezwerende gebaren terwijl ze zich kronkelend voortbewogen. Andere vrouwen zakten door de knieën, werden omhooggetrokken en vervolgens ondersteund door de anderen. Wij weken uit met onze Arola, want wensten niet onder de voet gelopen te worden, en keken onze ogen uit. 
Toen we alweer tien minuten verder waren, vonden we uiteindelijk de hoofdingang waar een gastvrouw ons begeleidde naar de plek waar we moesten zijn. De Arola mocht niet voor de deur geparkeerd worden. Omdat mijn metgezel nog maar twintig procent van zijn ademhalingsorgaan kan gebruiken, vanwege een longemfyseem, kwam hij hijgend en puffend aanlopen. Weliswaar met een gigantisch boeket bloemen. Dat had ze nog tegoed van mij, zei hij.
Wij werden binnengelaten en weg gepropt in het kleinste kamertje van het crematorium en ik kon nog net de laatste woorden van de speech verstaan: de overledene is nu bij mama in de hemel.
Er waren weinig mensen maar toch moest de helft blijven staan, waaronder wij. In deze benauwde omgeving mochten we getuige zijn van een engelachtig koor van James Last-achtig allooi en in die tijd konden wij de dode herdenken. Daarna was er koffie en cake en kon ik de gedachte niet onderdrukken dat de overledene en ik in haar goede tijd regelmatig grappen maakten over een spetterende begrafenis mét champagne.
Haar crematie was zoals ze de laatste jaren had geleefd: miserabel, triest, kleurloos, saai en armoedig.
Mij is één ding duidelijk geworden. Voor mij nooit een crematie maar een -liefst bonte- tocht naar het graf.





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen