maandag 9 april 2012

De Strijd in Sabine

derde deel:
Zacht suist de wind langs de kam van de heuvel.
Twaalfmaal slaat de klok op Sabine's stadhuis.
Het Khismet ontbloeit in een mimisch gekeuvel
en ruist met de droes van een heilloos: „niet pluis!"
De rovensbent wacht. Hun gnuivende rossen,
de achterhand schrap op het glooiende gras,
zien cynisch terneer op de snuivende ossen
en de vredige velden vol wuivende was.
Sindoro wacht somber - zijn klok in zijn handen,
Il Toro ontrolt zijn kastoren banier:
een koevoet die rent langs belendende panden,
met in hun verlengde een talmende stier.
Brabagne ontkurkt nu zijn laatste champagne
en wiegt in de zadel - zo zat als een meeuw.
François, Comte du Droux, overziet La Campagne,
zijn kanten kerchief smoort bevallig een geeuw.
„Vittoro, Jandoro!" zo brult thans Sindoro;
zijn sporen doorboren zijn peigerend ros.
Geen kip komt hun voro - zij stormen rechtdoro,
de klewang gereed en de broeksknopen los.
Satanische bandjir van brute sujetten,
brallend berennend dit schuldeloos dal!
Teugelloos drama van heel korte metten -
raphengstenwedren, belust op de stal.
Doch... La Lesbia waakt! Haar ogen ontwaren
de flikker van staal? Een gepantserde knie?
Haar heldere kreet galmt langs witte pilaren
en waarschuwt haar lichtere cavalerie:
„Te wapen! Te wapen! De stad is vol knapen!
Te wapen, mijn maagden, met schild en met speer!
Te wapen! Valt aan op die harige apen!
Staat pal, mijne maagden, verdedigt uw eer!"
Doch... niemand stormt aan om haar flank te beschermen,
geen wijf van de lijfwacht verdedigt de straat;
zij giechelen geil, inplaats van te kermen,
of leggen zich neer - in hysterisch verraad.
Jambisch dispuut van ontzenuwde hoeren,
episch versmaad in hun purperen fuik:
het mateloos manko aan puike amouren
het hijgend motief voor een slok uit de kruik.
Tropisch allegro van vuurvast gekanker,
mannentaal teistert het panisch district.
De hoop rukt vergeefs aan een grondeloos anker:
La Lesbia wikt... doch Sindoro beschikt.
O, geile barbaren! - O, vuile haetaren!
La Lesbia wringt zich de handen in spijt.
Verzaakt men het zich in de phalanx te scharen?
Begroet men de phallos met heim'lijk jolijt?
Een doelloos Thermopylae? Doelloos? Dàt nimmer!
Háár deugd zal de haren hun plicht doen verstaan.
Een vers Mene Tekel - een motto voor immer:
haar drachtig kadaver een machtig vermaan.
Dan nadert een reus, en de schijn der lantaren
onthult hem de lijn der enorme virgijn.
„Laat af!" dreunt zijn stem, en zijn gitzwarte haren
omzwieren zijn schouders: „Dit boutje is mijn!"
Zij staat als een rots in de poort van haar woning.
„Gij neemt mij," zo zegt zij, „slechts over mijn lijk!"
Sindoro lacht schamper: „Bezit ge verschoning?
Leg die dan maar liever vlak binnen bereik!"
Eén slag met zijn zwaard... en het leed is geleden.
Haar wapen zijgt neer... Zij wankelt terug.
Hij volgt haar: zijn lemmet gericht op haar schede,
tot haar vlucht wordt gestuit door het bed in haar rug.
Doortrapt is zijn mom - door Scrabble mistekend;
waxinelicht treft ieder gruwzaam détail:
de mond, met zijn snor, van wellustigheid sprekend;
het wrede gebit, met zijn glanzend émail
Gij, vunzige druil - als een tuil immortellen
zo zindert haar jeugd! Doch het lokkend geneugt,
zo dikwijls geproefd bij beproefdere dellen,
wordt scherper gewet op het vel van haar jeugd.
Zijn brein is ontbrand in een gretig gespinsel.
Zijn adem behijgt de bekoorlijke bruid.
Hij tast in haar schoot naar haar bloot vruchtbeginsel:
haar omvang belooft een behoorlijke buit.
Doch de aterling faalt! Een corset als een pantser
verdedigt haar bloem. Dit vestaals aggregaat,
haar pens eng omklemmend, fungeert ietwat remmend
op het flukse volvoeren der dreigende daad.
Zijn brullende lach stolt het bloed in heur aren.
De dreunende order rolt voort uit zijn baard:
„Brastagi! Isonzo! Grijpt vast die haetare
en bind haar buik-down op een extra-best paard!"
De stad is een chaos van boezems en billen,
van snuivende paarden en gnuivend gegraai;
van grieten die gillen, maar stiekem wel willen;
van geklaag door versmaden - te oud en te taai.
Ridicuul crepuscuul vol van lesbisch gekakel,
verbasterde bruid in een sitsen hansop;
hygiënisch geklop op een kuis tabernakel;
starnakel affuit in een ritse galop...
De stenen zij roepen in roerige troepen,
de keien zij schreien - zij schreeuwen het uit!
O, hoort het aangrijpend beroep van de stoepen,
de puien ook luien - zij luien het uit.
Obscuur tafereel: in een weeklagend straatje
ligt lens een fataal verfomfaaide vestaal.
Een scheur in haar keurs toont haar bollend b-haatje.
haar geur suggereert een sub-tropisch schandaal.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen