woensdag 4 april 2012

arbeid adelt


Ik vraag me vaak af waarom ik zo naar randfiguren trek of naar mensen die op het scherp van de snede lopen. Niet uit idealistische overweging en ook niet omdat ik met ze te doen heb of dat ik ze zo nodig moet helpen. Nee, waarschijnlijk haal ik er voor mij zelf iets uit. Doorgaans hebben ze een eigenheid die mij kennelijk aantrekt. Ik kan heel slecht tegen gebaande wegen, ook op persoonlijk niveau en ben niet vies van sensatie maar dan wel met stijl. Ik ben allergisch voor platvloersheid. 
In de jaren zestig had ik een vriend, Sjoerd genaamd. Het gerucht ging dat hij van adel was en ooit stinkend rijk was geweest. Daar zag je niet veel meer van. Blootshoofds en barrevoets verplaatste hij zich door Amsterdam. De kleding die hij droeg bestond uit niet meer dan een paar aan elkaar geknoopte draadjes katoen. Hij had lang grijzend haar en een baard tot aan zijn navel. Menigeen zag hem voor de vleesgeworden Christus aan en ook hij hield die mythe graag in stand. Zijn grijsblauwe ogen lagen wat verzonken in zijn magere gezicht en zijn van nature rijzige gestalte neigde zich te buigen. ‘s Nachts stond hij weleens voor mijn bed, dan dacht ik dat ik ‘een verschijning' had. Als ik me dan realiseerde dat het Sjoerd was die langs de regenpijp omhoog was geklommen en vervolgens door het geopende raam naar binnen was gestapt, wist ik dat het om een borreltje ging.
‘Eentje maar,' zei hij met een kwajongensachtige lach op zijn gezicht.
'Nou, eentje dan,' verzuchtte ik, ‘je weet de weg.'
Na dat borreltje klom hij het raam weer uit en bracht de nacht door in de zandbak naast het huis waar ik woonde. Hij had bijna nooit geld maar als hij het had, was het binnen een dag op. Hij had eens een briefje van honderd gulden op zak en stak het zomaar in de fik en zei: ‘Ach, als ik iets nodig heb dan neem ik het wel.' Op die manier liet hij zien wat hij van geld vond. Op een dag belde mijn vriendin Gertje al vroeg in de ochtend bij me aan. Zij stoorde me in mijn winterslaap.
‘Sjoerd heeft gisteravond een ongeluk gehad', zei ze ongerust, ‘hij ligt in het ziekenhuis.'
Een paar uur later toen we bij hem in het Wilhelminagasthuis waren, zat Sjoerd alweer monter en frisgewassen tussen de witte lakens. Een verpleegster zat op het randje van zijn bed en draaide vlechtjes in zijn baard. Grinnikend zei hij dat het geen kwaad kon om in deze barre tijden eens even in een echt bed te slapen en lekker verzorgd te worden. En ach ja, die auto had hem lichtelijk aangereden en toen de ambulance kwam, dacht hij laat maar gaan, ik zie wel hoe het loopt.
Drie dagen later haalden Gertje en ik hem weer op uit het ziekenhuis. Ik geloofde mijn ogen niet. Daar kwam Sjoerd aangelopen. In een keurig pak, zijn haar pas gewassen, kortom: spic en span. Hij droeg een grote koffer.
‘Wat zit daar in die koffer, Sjoerd,' vroeg ik, het meest vreselijke vermoedend. ‘Armen en benen op sterk water, of zo?'
‘Dat laat ik je straks wel zien,' grijnsde hij.
In mijn Fiatje 600 scheurden we door de straten want met mijn grenzeloze nieuwsgierigheid kon ik het moment suprême bijna niet afwachten.Toen wij bij mij thuis kwamen, ging de koffer open en daar kwamen uit: een paar operatiejassen, een verpleegsterscape, twee doktersjassen, een stethoscoop en nog enige operatie-instrumenten.
Zo komt Splinter door de winter dacht ik bij mezelf oftewel: arbeid adelt maar de adel arbeidt niet.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen