woensdag 25 april 2012

Carmina Burana

van Carl Orff
muziekuitvoering door Geert Groote College in de Vredeskerk
20 april 2012


zaterdag 21 april 2012

Nanette, lieve vriendin, 55 geworden
en om dit feest te veraangenamen
nodigt zij ons uit bij de Indonees
met al haar vriendinnen tezamen

je interesse in astrologie is mij welbekend
zonneklaar dat tussen schaduw en maanlicht
een present der lichtende facetten
voor de hand ligt

I Tjing en tarot zijn jou niet vreemd
raadplegen van het orakel
planeten in verhouding met de goden
van passiespel tot minnespel

jouw werk, interesse en omgang
met onze Islamitische gemeenschap
brachten mij bij een roman van een Arabische schrijver
ik koos voor dit boek, na het lezen van de achterflap

in deze controversiële allegorie Kinderen van Gabalawi
zegt hij alle gevestigde religies vaarwel en laat god
in de gedaante van een zwarte bediende vermoorden
en evoceert hiermee over zichzelf het noodlot

vandaag Nanettes feest
een hoogtijdag van memorabele schoonheid
ik wens je nog vele jaren levensgenieten toe
met een goede gezondheid

van harte-lijks
es
21 april 2012

zondag 15 april 2012

love in vain

over liefde gesproken
 
Mick Jagger
 


                                                                           Rod Stewart

Willem Waterman (deel I)



Ik was begin twintig. De jaren vijftig hadden we gelukkig achter ons liggen. Uit pure compensatie en om uit die grijsgrauwe sleur te breken, stortte ik me in het uitgaansleven. Kroeg in kroeg uit stond als eerste op mijn lijst. Drinken, de lust van m’n leven. De wilde wijventijd was aangebroken.
In die tijd draaide ik rond in een kringetje van kunstenaars, semi-kunstenaars en intellectuelen. Een scènetje van veel pathetisch gepraat, gedrevenheid en geëxalteerdheid met natuurlijk een maximum aan drank. Al gauw hadden we het predikaat van langharig werkschuw tuig.
Zo was er Willem Waterman, met verschillende pseudoniemen waaronder Willy van der Heide en Willem van den Hout. Schrijver was hij van beroep, bekend van de Bob Eversserie.
Hij had het rauwe uiterlijk van een zeebonk met zijn kapiteinspet op en grote snor. In die tijd leefde hij op een schip. Dagelijks peddelde hij met z’n bootje door de grachten en meerde dan aan bij een bootterras aan de Prinsengracht waar ik en m’n vriendinnen in het zonnetje aan het borrelen waren.
Vloekend kwam hij aan en vloekend met bulderende lach vertrok hij weer. Geregeld ergerden we ons aan zijn gescheld en getier, een kakofonie van woorden. Naarmate de alcohol vloeide, ontstond er een overmaat van woorden, een crescendo van blaaskakerij en gelal, een ware terreur.
In de verte zagen we Willem alweer aan komen tuffen. We besloten hem een lesje te leren. De niets vermoedende Willem verankerde zijn bootje, stapte ‘godverdomme middag dames’ kretend op het terras, begon met overslaande stem te oreren en werd meteen door een paar potige meiden vastgegrepen. Vervolgens rukten we hem het hemd van zijn lijf en scheurden de broek van zijn kont en gooiden de heftig tegenspartelende Willem in de gracht. Z’n kleren erachter aan.
Zo droop hij af met een zwaar onthutst gezicht en uitgelachen door al die pimpelende dames op het terras. Het temperde enigszins zijn seksistische gelul.

zie ook: Willem Waterman (deel II)

zaterdag 14 april 2012

Willem Waterman (deel II)


Ondanks z'n geloei en georeer had Willem ook een andere kant. Ik vond de schreeuwlelijk een boeiende man met kwaliteiten. Hij verstond absoluut de kunst van het leven en noemde zich bij herhaling een Pallieterachtig figuur. Hij deed precies waar hij zin in had en had schijt aan de wereld.
Hij schreef beeldend zoals hij sprak en andersom. Door de tijd heen ontmoetten we elkaar geregeld in de kroeg en hielden contact.
Nadat hij zijn boek: Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig had geschreven, ontving ik eind '78 een brief van hem. Daarin stelde hij voor om samen met mij een boek te gaan schrijven.
Hij had al twee titels in zijn hoofd.
Het zou: De man die vrouwen begreep worden en hij veronderstelde dat geen enkele vrouw zo'n boek zou kunnen laten liggen.
Deze brief kwam ik onlangs tegen in een oude doos. Ik heb 'm gescand en doe er hieronder gewag van.



Bij tijd en wijle schreven Willem en ik stukken tekst die op een oude rammelende schrijfmachine door hem werd uitgetypt. Het begon al een aardig manuscript te worden. Ondanks dat hij zichzelf een hoge ouderdom had beloofd en hij al zijn vijanden had willen overleven is hij slechts 69 geworden.
Begin '85 werd een verwaarloosd hartinfarct Willem fataal.
Ons boek is er nooit gekomen en het manuscript is tot mijn leedwezen verloren geraakt.


 zie ook: Willem Waterman (deel I)

vrijdag 13 april 2012

De Roof van de Sabijnse Maagden

Dit sous-realistisch proefstuk geschreven door Willem W. Waterman en geïllustreerd door Flip van der Burgt bestaat uit vier delen:
Intro
De Naderende Ruiters
De Strijd in Sabine
De Kampplaats

Exemplaar 73 kreeg ik op 25 mei 1970 cadeau. Op 19 augustus 1972 schreef Willem zijn speciale opdracht in deze bundel.

Hieronder volgt de weergave.

donderdag 12 april 2012

De Roof van de Sabijnse Maagden

 
 
 
 
De Roof
van de Sabijnse
Maagden
 
 
een sous-realistisch proefstuk in klankkleur, ritme en plastiek
 
 
NEDERLANDSCHE KEURBOEKERIJ N.V. - AMSTERDAM
Willem W. Waterman
Flip van der Burgt

woensdag 11 april 2012

Intro

Intro
Verzonken in Morpheus' tochtvrije spelonken,
virgijne Sabijnen, twaalfmaal een dozijn,
zo toeven de reinen en rusten en ronken:
de pronk der Romeinen - uitbundig van lijn.
De zwoelige wind kust hun woelige vormen -
het maanlicht ruist neer op hun duldeloos naakt
en rust op hun boezems, de reeds zo enorme:
een lust voor het oog van de éne, die waakt.
Want La Lesbia waakt! Geen slaap brengt verkwikking
aan haar, die de maagdenschaar rusteloos hoedt;
die bekoorlijke ooien, belust op een fikking,
ten prooi aan de prang van hun bruisende bloed.
Die satrapen aangapen als bronstige schapen,
belust op Zodiac's zwervende ram;
hun tedere schaam orthodox voor het kapen,
maar... La Lesbia waakt bij het hek op de dam.
La Lesbia waakt in het purperen duister:
drie centenaars rosbief... vol innige schroom.
Haar maagden ontstijgt een onzegbaar gefluister:
het zwanger symptoom van erotisch gedroom.
Ah... stringent firmament vol autarkische zonnen,
astraal cellofaan rond een maandagse lunch -
Spartaans carnaval vol van klanken in tonnen;
aangrijpend symbool van een doopvont vol punch.
Hecht cataclysma van whisky in vaten,
croquant ambrozijn op hemelse pof -
nostalgische neus op immense prelaten,
synthetisch serpent op een laars en een slof;
vertoornd molecuul vol sucaden ionen,
barbaars circonflex in een verveloos land -
futiel dromend Lipsslot - met dertien Mormonen,
op oudejaarsavond bij kaarslicht gestrand.
De marmeren zaal is vol krolse fantomen:
de wellust omzweeft dit vestaalse paleis;
hun onderbewustzijn ontploft in hun dromen
en Priapus pijpt in dit preuts paradijs!
Doch... La Lesbia waakt! Geen zwoele creaties
doorwoelen haar zuiver clitorische brein -
zij is immuun voor genotsaspiraties,
anders dan die van het lesbisch festijn.
Zij treedt in het maanlicht van sponde tot sponde,
de zwijgende ronde der vrouw van gezag.
Ginds heeft haar bronstbeet een boezem geschonden:
dat schouwspel ontlokt haar een tedere lach.
Doch een soort praemonitie van kwalijke euvels
brengt onrust teweeg in haar gigantesk gat.
Zij treedt voor het raam en ziet uit naar de heuvels:
een glooiende ring rond de slapende stad.
Het ruimteloos zwerk staat bezaaid met protonen;
een roerdomp beloert het Canal du Midi.
Een zwanger gerucht treft de wakende schone:
een Rooms a-b-c? Of een Grieks phi-chi-psi?
De nacht is hautain als een zwijgzaam conclave.
Het voorgevoel zingt als een vals carillon.
Haar vrezend gemoed is vol roerende have.
Een zilvervos zingt zijn geschrokken pardon
In Orion luidt een verloren triangel.
Zij waant zich een bruid als een koperen non.
Een Fatum vol wodka vertrekt uit Archangel -
een wiegelied deint sur les ponts d'Avignon.
Doch... La Lesbia waakt! Geen manzieke weelde
floreert in haar schromeloos, waardig gemoed,
dat wars is van beelden, die zelden verveelden,
en menig Sabijn stiekem zwijmelen doet.
Haar sobere ziel kent beduchte neurose.
Grif klimt langs haar kleurloze meridiaan
het ontzet amulet van een boze psychose,
waar het mannelijk lid naar een trouwma gaat staan.
Gij, Trots van de rijdende Water- en Vuurvrouwen;
Jonkvrouw de Pas du Plaisir à Minuit;
Groot-Vizierin der Romeinse Kartouwen,
Beschermvrouwe ook van het Kuise Etui.
Immens is de deugdkracht die straalt uit haar wezen.
Die eert en boetseert haar prozaïsche pui.
Haar afkeer van masculijn kozen en kezen
bloeit stil en sereen... als een tedere ui.
Ja - La Lesbia waakt! Al horen haar oren
geen dreigende klank en geen tastbaar tumult:
haar vreze is juist, want het Lot, hun beschoren,
ijlt droomloos nabij - in een stofwolk gehuld.

dinsdag 10 april 2012

De Naderende Ruiters

tweede deel:

De drachtige maan, overrijp als een broodvrucht,
hangt zwoel uit het zwerk, lijk een lome meloen,
en langs de plataan, in een barnende noodvlucht,
wiekt gonzend het heus van een vloeibaar gezoen.
Mutatus mutandis, o wierook der zonden!
Primitief kwaad als een statig galjoen...
dreunende hoefslag uit liefdeloos Londen;
vlakkerend beeld van een bloedig blazoen:
twee klimmende grondels, beducht voor de hemel,
gelaarsd en geklauwd op een veld van venijn;
de rechtse neutraal, met een knots als een kemel -
de linkse beducht voor haar teder vagijn.
Hoogdravende rossen, zo vurig als tonder,
passeren een vlonder - hun hoefslag sonoor
Zij gaan door een stad als een grollende donder:
een lillende vrees in hun liederlijk spoor.
Het landelijk stof doft hun zwetende flanken,
vlokkerig schuim tooit het ijzeren bit -
kettingen rink'len met tink'lende klanken:
een zachte muziek bij hun dreunende rit.
De roffel der hoeven van snuivende paarden
verrolt langs de heuvels en ijlt hun vooruit
langs de bevende aarde, en wie hen ontwaarde
verbleekt bij de grom van dit somber geluid.
Murw politoer van verkrachte balilla's
in mimicry dwalend, verkleurd tot kobalt.
Welaan - carpe diem! En pluk de projectie
die scheef langs het hellende heuvelvlak valt:
een nachtcavalcade van mannen, wier daden,
roemrucht en vermaard als hun drieste galop,
minstreels inspireerden tot rosse balladen
en jonkvrouwenharten tot snellere klop.
Zij klimmen door nevels langs rotsige paden,
versmaden de weg voor het ruige ravijn;
zij kruisen de stroom die zij spoorslags doorwaden:
het spattende nat een verschrikte fontein.
Zij rollen langs heuvels - een zwarte lawine -
één heet visioen vult hun brandende brein:
de buit van een bruid uit het slapend Sabine!
En rusteloos lokt hen dit nakend festijn.
Vier vorsten, die zelden hun sperma vermorsten,
zij sporen hun rossen en zweren bij Zeus!
Vier helden die dorsten naar zwellende borsten:
O, naakt visioen van het delicaat kruis!
Contrastrijke vierschaar van heidens gehalte,
vereend rond de staf van hun phallische vlag:
vier ruiters, vrijbuiters van fiere gestalte
en vèr voor hen uit klinkt de dreunende lach
van de blonde Brabagne, die bronstige vrouwen
en wijnen als zijn requisieten begeert:
product van een kruising van gelderse gouwen
en vlaamse landouwen, exquisiet geflankeerd
door François, Comte du Droux, precieus in zijn rijden,
gevolgd door zijn schildknaap, zijn schandknaap, zijn nar,
als een kostbaar bijou in velours, kant en zijde,
en zijn spotlachjes glijden, in sierlijke sar,
naar de reus aan zijn zijde: de zwarte Sindoro,
die de teugels omklemt in een harige vuist.
En gans links jaagt Il Toro, die de Rio del' Oro
bezwom, waar het water de rotsen vergruist.
Illustere nimbus rond louche protonen;
macabere dans na een innig sermoen.
Bewuste lyriek van pathetische tonen,
jaloers op de rust van de vrome pompoen.

maandag 9 april 2012

De Strijd in Sabine

derde deel:
Zacht suist de wind langs de kam van de heuvel.
Twaalfmaal slaat de klok op Sabine's stadhuis.
Het Khismet ontbloeit in een mimisch gekeuvel
en ruist met de droes van een heilloos: „niet pluis!"
De rovensbent wacht. Hun gnuivende rossen,
de achterhand schrap op het glooiende gras,
zien cynisch terneer op de snuivende ossen
en de vredige velden vol wuivende was.
Sindoro wacht somber - zijn klok in zijn handen,
Il Toro ontrolt zijn kastoren banier:
een koevoet die rent langs belendende panden,
met in hun verlengde een talmende stier.
Brabagne ontkurkt nu zijn laatste champagne
en wiegt in de zadel - zo zat als een meeuw.
François, Comte du Droux, overziet La Campagne,
zijn kanten kerchief smoort bevallig een geeuw.
„Vittoro, Jandoro!" zo brult thans Sindoro;
zijn sporen doorboren zijn peigerend ros.
Geen kip komt hun voro - zij stormen rechtdoro,
de klewang gereed en de broeksknopen los.
Satanische bandjir van brute sujetten,
brallend berennend dit schuldeloos dal!
Teugelloos drama van heel korte metten -
raphengstenwedren, belust op de stal.
Doch... La Lesbia waakt! Haar ogen ontwaren
de flikker van staal? Een gepantserde knie?
Haar heldere kreet galmt langs witte pilaren
en waarschuwt haar lichtere cavalerie:
„Te wapen! Te wapen! De stad is vol knapen!
Te wapen, mijn maagden, met schild en met speer!
Te wapen! Valt aan op die harige apen!
Staat pal, mijne maagden, verdedigt uw eer!"
Doch... niemand stormt aan om haar flank te beschermen,
geen wijf van de lijfwacht verdedigt de straat;
zij giechelen geil, inplaats van te kermen,
of leggen zich neer - in hysterisch verraad.
Jambisch dispuut van ontzenuwde hoeren,
episch versmaad in hun purperen fuik:
het mateloos manko aan puike amouren
het hijgend motief voor een slok uit de kruik.
Tropisch allegro van vuurvast gekanker,
mannentaal teistert het panisch district.
De hoop rukt vergeefs aan een grondeloos anker:
La Lesbia wikt... doch Sindoro beschikt.
O, geile barbaren! - O, vuile haetaren!
La Lesbia wringt zich de handen in spijt.
Verzaakt men het zich in de phalanx te scharen?
Begroet men de phallos met heim'lijk jolijt?
Een doelloos Thermopylae? Doelloos? Dàt nimmer!
Háár deugd zal de haren hun plicht doen verstaan.
Een vers Mene Tekel - een motto voor immer:
haar drachtig kadaver een machtig vermaan.
Dan nadert een reus, en de schijn der lantaren
onthult hem de lijn der enorme virgijn.
„Laat af!" dreunt zijn stem, en zijn gitzwarte haren
omzwieren zijn schouders: „Dit boutje is mijn!"
Zij staat als een rots in de poort van haar woning.
„Gij neemt mij," zo zegt zij, „slechts over mijn lijk!"
Sindoro lacht schamper: „Bezit ge verschoning?
Leg die dan maar liever vlak binnen bereik!"
Eén slag met zijn zwaard... en het leed is geleden.
Haar wapen zijgt neer... Zij wankelt terug.
Hij volgt haar: zijn lemmet gericht op haar schede,
tot haar vlucht wordt gestuit door het bed in haar rug.
Doortrapt is zijn mom - door Scrabble mistekend;
waxinelicht treft ieder gruwzaam détail:
de mond, met zijn snor, van wellustigheid sprekend;
het wrede gebit, met zijn glanzend émail
Gij, vunzige druil - als een tuil immortellen
zo zindert haar jeugd! Doch het lokkend geneugt,
zo dikwijls geproefd bij beproefdere dellen,
wordt scherper gewet op het vel van haar jeugd.
Zijn brein is ontbrand in een gretig gespinsel.
Zijn adem behijgt de bekoorlijke bruid.
Hij tast in haar schoot naar haar bloot vruchtbeginsel:
haar omvang belooft een behoorlijke buit.
Doch de aterling faalt! Een corset als een pantser
verdedigt haar bloem. Dit vestaals aggregaat,
haar pens eng omklemmend, fungeert ietwat remmend
op het flukse volvoeren der dreigende daad.
Zijn brullende lach stolt het bloed in heur aren.
De dreunende order rolt voort uit zijn baard:
„Brastagi! Isonzo! Grijpt vast die haetare
en bind haar buik-down op een extra-best paard!"
De stad is een chaos van boezems en billen,
van snuivende paarden en gnuivend gegraai;
van grieten die gillen, maar stiekem wel willen;
van geklaag door versmaden - te oud en te taai.
Ridicuul crepuscuul vol van lesbisch gekakel,
verbasterde bruid in een sitsen hansop;
hygiënisch geklop op een kuis tabernakel;
starnakel affuit in een ritse galop...
De stenen zij roepen in roerige troepen,
de keien zij schreien - zij schreeuwen het uit!
O, hoort het aangrijpend beroep van de stoepen,
de puien ook luien - zij luien het uit.
Obscuur tafereel: in een weeklagend straatje
ligt lens een fataal verfomfaaide vestaal.
Een scheur in haar keurs toont haar bollend b-haatje.
haar geur suggereert een sub-tropisch schandaal.

zondag 8 april 2012

De Kampplaats

vierde deel:

Sinds lang is de nacht langs zijn zenith geschreden,
sereen heeft Selena de jachtrit aanschouwd;
reeds lang zijn de rossen amechtig gereden,
dan nadert de bent het bivak in het woud:
hun kampplaats - een rampplaats voor drieste vandalen;
de rossen zij lossen hun dubbele vracht.
Het schuchtere mos licht vol schone schandalen,
barbaars brandt het bos in een sombere pracht.
Het plechtige woud staat vol vlammende vuren;
het geurige hout geeft een tampere walm.
De rook rijst rechtop met een hoge allure,
als was elke rookzuil een roerloze palm.
Koortsig gegraaf naar verstopte Jan Doedel.
Rink'lend onthalzen der Veuve Cliquot.
Koortsig gegraaf naar een fles pruimenstroedel,
die fraai wordt versierd, als symbool van de show.
La Lesbia's schaam, met zijn machtige knevel,
is pièce de milieu van dit buikig menu.
Dit soort status quo wekt een wachtende wrevel:
het sec „sowieso" een spontaan „nondeju"!
Sindoro blikt neer op de went'lende teven.
Zijn brallende toespraak klinkt ietwat verward.
Vermaan, dat kwartier dient gevraagd, noch gegeven:
dan lost hij het schot tot de vliegende start.
Vermetele Charge der Louche Brigade:
doldrieste attaque op het maagdelijk vlies.
Tirade op Tennyson's Britse Ballade
en zij stormen vooruit, met de hand aan de spies.
Hymen to left of them, hymen to right of them,
Hymen in front of them, parted and thundered
but onward and heedless of spawn or mayhem
rode the undaunted One Hundred.
(theirs not to reason, to shirk or to chuck,
theirs but to do, to attack and to fuck)
Complot tot een reeks ondermaanse injecties,
romanisch project in dit panisch boudoir.
Gordiaans knoopkruid vol zwangzaadconnecties:
de deugd hangt tegeef als een bang suspensoir.
Knallend begin van een reeks defloraties.
Gratis donaties van technisch advies.
Metéén al urgentie tot noodreparaties:
zwaartillend gehijs aan een lillende lies.
Standen, ontleend aan het boek Kamasoetra,
geparafraseerd met een westers vernuft,
die een kenner, verwekt bij de stroom Brahmapoetra,
waarschijnlijk tot stomheid toe hadden verbluft.
Haarscherp détail van een aardige yoni,
door toortslicht verrast in een eng soixante-neuf,
innig gekust door de baardige tronie
van een schotse tamboer uit de clan van MacDuff,
wiens doedelzak fiks wordt gepijpt door een pure
vestaal, slechts vertrouwd met cymbaal en spinet,
die plots zeer adept blijkt in haar embouchure
op de manlijke fluit bij arcadisch minet.
Brullend gelach om een broekloos mirakel,
tweemaal met brandnetelstengels gepaaid;
driemaal vervolgd onder heidens spektakel;
viermaal gevangen en tòch niet genaaid.
Kansloos strippoker met bankroet canaille.
Sappig discours over hippisch incest.
Steekspel om 's keizerin's Baard de la Taille;
doelloos debat over oorlogsmolest.
Rillend genot bij een gillend orgasme,
extatische vloeken bij dreunend genaai;
kreten, vervuld van een veil pleonasme:
hijgende zuchten en kreunend gekraai.
Applaus om een foutloos gereden prestatie
„of force and adroitness" - op zadelloos paard.
Terloopse kritiek op een paring vol gratie
door afgemat trio, dat gade-loos kaart.
Blakend debuut van ontwakend libido.
Klotsend gefots in een duistere hoek.
Schuchter verzoek om een bruidsreis naar Lido
(desnoods derde klas) met Lissone of Cook.
Gekrijs om de prijs van een woudbloemencorso
van vette blondines: wat mos en wat rips,
met sperma geplakt op hun spiernaakte torso -
een maagdepalm in hun beschadigde bips.
Tableau Vivant door de Blonde Brabagne
(kenlijk geleerd in een Gallisch bordeel),
op zijn rug op een mosbed, gedrenkt met champagne,
verwekt hij gejuich met een vuig tafereel:
op zijn mond rust de kont van een grappig Sabijntje,
zo hitsig en rits als een vrolijke vaars;
zijn tong tot de huig in haar sappig vagijntje;
zijn reus van een neus in haar olijke aars.
In elk van zijn handen de schelp van een Venus;
het spel van elk tenenstel kietelt een griet -
een zesde zit schijlings, doch recht op zijn penis
en rijdt op de maat van een liederlijk lied.
Il Toro geeft blijk van enorme potentie:
een paringsfrequentie, door niemand behaald.
Zijn harem geniet geen moment indolentie,
doch blijft „in the running", en heet van de naald.
Zó zout heeft geen woud het tot dusver gefroten!
Nog nimmer aanschouwd zulk een boud bacchanaal -
nooit werd zo kwistig met sperma geschoten;
zo zoetig gevooisd met zo zoutig een taal.
Géén loofhout zag ooit zulke machtige kloten -
geen mastbos had immer zo prachtig een paal
als die van Sindoro, qua gaafheid en grootte
supreem, en de spil van dit stout saturnaal.
O, trots van Sindoro! O, knots van een phallos!
Zelfrijzend monster, met handelsmerk "Cham!"
Geen vrouw kon zo down zijn, zo diep in de dallas,
die niet op verhaal kwam bij 't zien van díe tam!
Kreten van: „Oh!" bij 't zien der erectie,
welks beeld men nooit trof in een nuchtere krant.
Verrukte verbazing en schuwe inspectie -
voorzichtig getast met een schuchtere hand.
Isabella-getint camisool vol met strikken,
nimmer gekust door een bandeloos sop.
Glimpen van schaamhaar aan schimpende blikken:
flard van een flirtend chemise-enveloppe.
Briljante close-up van een schaamberg vol veren;
lila fantoom van een somber paskwil.
Gezellig aroma van dolende heren,
spiegelend beeld van een kleffe mandril.
Buiken met navels als blinde lantarens,
Kwansuis vertrek naar een nette picnic,
Stomend gewals op een sofa vol varens -
hilarisch tournooi op de steevaste pik.
La Lesbia (heel nog, schoon ietwat geschonden)
ligt pal in het centrum van lal en jolijt.
Haar benen (gespreid aan twee paaltjes gebonden)
onthullen een schaamspleet, een handbreedte wijd.
Dit gapend ravijn wordt het centrum van actie:
zo prachtig een gleuf dient ten snelste geschroefd.
Haar machtige schaamberg verschaft een attractie,
waarop men om beurten zijn krachten beproeft.
Zó groots een tractatie veroorzaakt stagnatie:
gedrang en geschreeuw van „Ik eerst en jij straks!"
Vertwijfeld geroep om een spoed-irrigatie,
die ijlings geschiedt, met een soort Minimax.
François, Comte du Droux, ironiek en vermetel
(omringd van zijn schildknaap, zijn schandknaap, zijn nar),
levert spitse critiek uit zijn prachtvolle zetel,
geplaatst aan de voet van een oeroude spar.
Subtiel savourerend zijn Bénedictine,
één mondhoek getooid door een tâche de beauté,
bij wijlen citerend een flard Lamartine,
roept hij: „Pas reculer que pour mieux sauter!"
„Ah... toujours poussés vers de nouveaux rivages
dans la nuit éternelle emportés sans retour...
Sindoro! Chevalier! Oh, làlà... quel montage!
On dirait: désastreux pour son propre-amour..."
Het vlammenlicht danst in zijn spottende ogen
en glanst in de ring met zijn rode robijn.
Zijn brocaten gewaad ligt met gloed overtogen -
de ragfijne kant heeft een zilveren schijn.
„Mes enfants... regardez! Qu'est ce que c'est? Un mirage?
Le Maîtro Toro... sur une vierge percé!
Ma fois! En tenant dans son bec un fromage!
Hélas, La Fontaine... mais il lui faut manger."
Het buitenste vuur wordt door ieder gemeden.
Daar wordt wat gescharreld - banaal en vulgair.
Iets beter is dit hier, waar kwiek wordt gereden
de klassieke parforce-rit (ventre à terre).
Vuurwerk van bandeloos kuitengeflikker.
Soloballet, onbekleed door één snars.
Mondscheinparade van fluitengekikker,
gehopt op de maat van de huwelijksmars.
Romeinse stoppage van overnaads naaiwerk;
Panem et Singerem, dubbel en dwars.
Poëtische rage van Paul van Ostaaywerk:
grijpstuivertombola, honend en bars.
Goedkeurend geproef aan een fraîse glans penis;
laatdunkend gesnoef op een tam van een el.
Hoogdravend geschroef op een griet die gans héén is -
Kielhalend geloef - met een schoot buitenspel.
Gekrijt en gesmijt met een heel goed japonnetje,
te lang reeds geduld rond de bast van een lief.
Smakkend gesmijt met een speelgoedballonnetje,
gemaakt van een zaadgevuld preservatief.
Ping-pong met een teelbal, getikt van twee Lotjes;
dronken gelal bij een valse guitaar,
versierd met trofeeën van lekke kapotjes
en veroverde scalpen van engelenhaar.
Woordkunstig gesprek, dat verbazend gekuist is
van het stoere woord „hoer" en de dwaze naam „hip".
Hardnekkig dispuut over wat nu juist is:
een hazeschaamlip of een schaamhazelip.
Wat nu? Een maagd, die vertikt om te zwichten!
Vergeefs heeft men driemaal haar bilwerk berend.
Men dromt om haar heen met bezwete gezichten;
zij vloerde zojuist de King Kong van de bent.
Doch een ridder, vermaard om zijn jambische dichten,
grijpt fluks een trochee, zet een knie in haar krent
en weet haar behendig een beentje te lichten.
Het eind van het lied... is een enjambement.
Het perzikenhuidje van menig jong bruidje
wordt mal getraîteerd tot een haveloos vel.
Maar óók wordt gewaagd van een stichtelijk spruitje,
dat hier zich gedraagt als een laveloos lel.
Vinnig gestrengel van armen en benen.
Pinnig gehengel naar billijke griet.
Innig gezwengel door deze en gene;
minnig gebengel van menige tiet.
Sophistisch geklets op ontbolsterde billen.
Sadistisch gepets op wat biefstuk tartare.
Snollig gemats met een paar die graag willen -
prollig gepats met een pooiersgebaar.
Lady Chatterley's Lover, in volle bezetting,
blijkt reuze voor dit dilettantentoneel.
De hoofdrol vervult hier een woudbloemenketting,
gedraaid rond Sindoro's gigantische steel.
Lucullisch tournooi over proeven van sperma,
georganiseerd door François, Comte du Droux.
Hij blinddoekt zes maagden, beginnend bij Herma,
en vraagt hun: „Van wie?" - na gezuig aan een roe.
Herma lijkt glansrijk te winnen op punten:
Sindoro smaakt bitter; Brabagne wat wrang.
Maar Magdalena blijkt in techniek uit te munten:
háár tanden beschramden geen enkele stang.
O, zoentje erop en klapje ertegen!
Verhef u, genotsknots - nog één keer -allà!
Appèl tot een del, in elkander gezegen -
niet meer te bewegen - hors de combat.
Sindoro raakt klem met zijn linker testikel.
François slaat hem gade, en flagrant délit.
(Zijn plompzakken baarde dit pijnlijk perikel,
een welkom object voor Du Droux zijn esprit).
Twee sappige tepels, die hingen als klepels,
bekomen één rover wat zwaar op de maag.
François keurt urine uit zilveren lepels,
een derde eet faeces en vordert gestaag.
De dieren des wouds vinden hier een tractatie:
acht mieren betreden een eenzaam vagijn.
Een kever verdrinkt in een plas masturbatie,
een duizendpoot rent langs een evennachtslijn.
Een mierenleeuw bijt in een machteloos scrotum.
Een pissebed, argloos op zoek naar een dak,
verzeilt in een schaamspleet - o, noodlot, dat doodt 'm! -,
die juist werd gereinigd met rum en cognac.
Een flard van een schaamlip hangt hoog in de sparren.
Een kwak gelig sperma druipt loom langs een beuk.
Drie maagden beginnen alreeds te verstarren:
hun buiken gebutst door het dreunend geneuk.
 Dan, lillend en teder - in lauwwarme fluister,
staat klinkend Brünhilde haar panstalen borst.
Viriel schalt haar stem door 't Wagneriaans duister:
„Wie mot er nog kroepoek, of zuurkool met worst?"
Dan ebt het conflict in dit tragisch gebeuren.
La Lesbia's schaam is een droeve spelonk.
De nachtwind is drachtig van machtige geuren -
de windroos omruist nu het slapend geronk.
Roemloos failliet van het stoer masochisme,
nachtmerries zwevend in nymphomanie.
Zwevend gemijmer in fotsend monisme -
coïtus F-dim... dan het hartloos: „Adie!"
Aphrodite druipt in het moment suprême.
Venus vertoont, in het zenith van pracht,
de macabere grijns van het kwartuur: „je t'aime"
en Eros verzinkt in het nadir der nacht.
Diana rukt in - door Apollo verdreven.
Priapus wijkt - door het daglicht verrast.
Nooit zag de dag zo strident een stilleven:
leeg rust een kruik naast een buik van albast.
Leeg is het fust, en de rust na de ruzie
waart door de lucht lijk een zucht zonder baat.
Moe is de buik: droeve fuik van de fusie,
potent monument voor het zaad van het kwaad.
Verzadigd zijn zij, die de schanddaad begingen.
Verschoten de klankkleur, de hom en de kuit.
En boven het woud - in zijn gierige kringen -
cirkelt de ooievaar: loerend op buit.
Loens mardi-gras van homerisch sadisme.
Pijnlijk abuis rond een kwalijk devies:
kermesse d'epée van een phallisch sophisme:
het rechteloos hymen wuift mat in de bries.

zaterdag 7 april 2012

colofon

Colofon 
In het jaar 1970 werd dit boek gezet op de I.B.M.-
composer uit de Aldine Roman, op de persen van
N.V. Uitgeverij Kerco te Ridderkerk gedrukt
op geschept papier van Papiergroothandel
Van Stolk & Reese N.V., te Rotterdam
in een oplage van zevenhonderd
en vijftig exemplaren, waar-
van de eerste honderd ge-
nummerd van één tot
honderd en ge-
signeerd door
auteur en
graveur
etser
 
 
Dit exemplaar
is nummer
.73..





speciaal opgedragen aan:
Esmeralda
door
Willem W. Waterman
en
Flip van der Burgt

op 19 augustus 1972

vrijdag 6 april 2012

Willem Waterman: the bare facts

Juli 2014 werd ik benaderd door boekenspeurder Bert Meppelink. Hij kwam op internet mijn blog tegen en mijn items over Willem Waterman.
Ter completering van mijn Willem Waterman dossier publiceer ik -met toestemming (!)- onderstaande aanvullende informatie die Meppelink mij toestuurde.

***
Goedemiddag mevrouw Van Essen, beste Es,

Het is voor mij altijd een genoegen om op internet te zoeken naar items die mij interesseren. Daarbij kwam ik een tijd geleden de blog https://www.blogger.com/ tegen en meer specifiek wat er te lezen viel over het contact met Willem Waterman.


Onlangs las ik ook het verhaal nog eens door dat Willem schreef voor het sekstijdschrift Candy (# 75 uit 1975: http://waterman.mine.nu/~wood/candy/index.html) en ben ik gaan zoeken naar de 'eerste Nederlandse pornofilm' waar hij over schrijft.
De naam van de genoemde regisseur Izzy Abrahami bracht aan het licht dat de film 'The bare facts' getiteld was (http://kranten.delpher.nl/nl/view/index?query=abrahami+waterman&coll=ddd&image=ddd%3A110591033%3Ampeg21%3Aa0804&page=1&maxperpage=10).
Via http://antvprod.blogspot.nl/2012/08/the-bare-facts.html is de film zelfs te bekijken.

De film is van alles, maar zeker geen porno, zeker niet zoals wij daar vandaag de dag over oordelen.
Eigenlijk is het een hilarisch-aandoende film waarbij engagement een grote rol speelt en de kijk op de wereld, verbeeld door een viertal medische studenten en Willem.
Hij vervult namelijk de hoofdrol als wijze, oudere man met zijn pince-nez, een knijpbril; door die telkens op en af te zetten, aanschouwt hij de wereld om hem heen naakt (wat de werkelijkheid moet betekenen).

In de film speelde ook Saskia Holleman mee, destijds actrice, maar vooral bekend geworden als naaktmodel (o.a. voor het blad Sekstant van de NVSH).
De foto waarop ze met gespreide armen voor een koe in een weiland staat, groeide zelfs uit tot een iconisch beeld omdat de PSP die foto voor haar verkiezingsposter gebruikte
(http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2686/Binnenland/article/detail/3458747/2013/06/14/PSP-postervrouw-Saskia-Holleman-1945-2013-Bloot-beeldschoon-en-blij-in-de-wei.dhtml).

Een 25-jarige (onbekende) jongeman was vanwege zijn knappe voorkomen aangezocht om de daad met Saskia te verrichten voor de film.
Hij bracht daar volgens Willem echter weinig van terecht omdat de noodzakelijke erectie zich niet op de juiste momenten voordeed.

De opnamen vonden plaats in Amsterdam aan de Lijnbaansstraat, in de studio van Matthijs Schrofer.
Het geluid in de film loopt niet altijd even synchroon met het beeld, om nog maar te zwijgen over het feit dat de film in twee opnamesessies werd geschoten.
Tussen de twee opnametijdstippen had zich namelijk een warme zomer voltrokken, een zomer waarin Willem dusdanig gebruind terugkwam op de set dat hij geschminkt moest worden om het kleurverschil niet al te opvallend te laten zijn.
 
De film (met een lengte van 14.44 minuten) werd twee maanden na productie in première gedraaid in aanwezigheid van Erik de Vries.
Volgens Willem was er geen draaiboek en schreef hij de dialogen tussen de opnamen door zelf.

De verhalen die op uw blog te lezen zijn over het contact met Willem doen mij vermoeden dat hij hier wel iets over verteld zou kunnen hebben en ik verneem graag wat u zich daar nog van kunt herinneren.
Mocht dat niet het geval zijn, hoop ik dat het voorgaande verhaal voor een glimlach ter herinnering aan deze bijzondere schrijver heeft gezorgd.

Met vriendelijke groet,
Bert Meppelink


woensdag 4 april 2012

uitgeblazen



De grote zaal van het Concertgebouw is geheel uitverkocht. Straks om half negen zal het spektakel plaatsvinden: een uniek optreden van het beroemde Duitse hout- en koperblazersensemble Horntoll met als Nederlandse gastdirigent Bas Bazuin.
Bazuins laatste concert was in Berlijn geweest. Hij vertelt me in de koffiekamer over de afgang van de steeds uit de toon vallende piccolo die beter vast had kunnen blijven zitten tussen de liftdeur. En dan die drie mobieltjes die tijdens de uitvoering afgingen. Nota bene van de orkestleden zelf. Het was een fiasco geweest. Later bleek dat het hele ensemble hem een warm hart had toegedragen. Vanavond zal hij het publiek eens even wat laten horen.
Buiten de traditionele hobo, fagot, tuba, fluit, hoorn en de nu goed geoefende piccolo, zijn er wat oudere blaasinstrumenten bij: de schalmei, een soort herdersfluit legt Bazuin uit en de kornet, een kromme hoorn. Als slotsolo de horlepijp met als klap op de vuurpijl de bekende horlepiep danseres Klarina.
Bazuins ogen gaan glimmen als hij haar naam uitspreekt en hij laat zijn cadeautje zien dat hij speciaal voor Klarina heeft gekocht, een prachtige robijnrode zijden sjaal. Je kan maar nooit weten. De laatste keer in Berlijn waren hem haar bekoring, verlokking en uitnodiging niet ontgaan. Hij was er niet op ingegaan. Vanavond zou hij zich willen overgeven aan haar charmes.
Rechtstreeks loopt Bazuin naar de orkestruimte.
Hoe kan het nou dat hij nog niemand van zijn blazers is tegengekomen, vraagt hij zich af. Waar zitten ze toch?
Hij loopt langs de directiekamer en hoort nog net het achtuurjournaal: Heden middag is het vliegtuig uit Berlijn met bestemming Amsterdam neergestort. De kans op overlevenden is gering. De inzittenden, het blazersensemble Horntoll…
Verdwaasd loopt Bas Bazuin weg. 
Klarina, mompelt hij met een brok in zijn keel.

arbeid adelt


Ik vraag me vaak af waarom ik zo naar randfiguren trek of naar mensen die op het scherp van de snede lopen. Niet uit idealistische overweging en ook niet omdat ik met ze te doen heb of dat ik ze zo nodig moet helpen. Nee, waarschijnlijk haal ik er voor mij zelf iets uit. Doorgaans hebben ze een eigenheid die mij kennelijk aantrekt. Ik kan heel slecht tegen gebaande wegen, ook op persoonlijk niveau en ben niet vies van sensatie maar dan wel met stijl. Ik ben allergisch voor platvloersheid. 
In de jaren zestig had ik een vriend, Sjoerd genaamd. Het gerucht ging dat hij van adel was en ooit stinkend rijk was geweest. Daar zag je niet veel meer van. Blootshoofds en barrevoets verplaatste hij zich door Amsterdam. De kleding die hij droeg bestond uit niet meer dan een paar aan elkaar geknoopte draadjes katoen. Hij had lang grijzend haar en een baard tot aan zijn navel. Menigeen zag hem voor de vleesgeworden Christus aan en ook hij hield die mythe graag in stand. Zijn grijsblauwe ogen lagen wat verzonken in zijn magere gezicht en zijn van nature rijzige gestalte neigde zich te buigen. ‘s Nachts stond hij weleens voor mijn bed, dan dacht ik dat ik ‘een verschijning' had. Als ik me dan realiseerde dat het Sjoerd was die langs de regenpijp omhoog was geklommen en vervolgens door het geopende raam naar binnen was gestapt, wist ik dat het om een borreltje ging.
‘Eentje maar,' zei hij met een kwajongensachtige lach op zijn gezicht.
'Nou, eentje dan,' verzuchtte ik, ‘je weet de weg.'
Na dat borreltje klom hij het raam weer uit en bracht de nacht door in de zandbak naast het huis waar ik woonde. Hij had bijna nooit geld maar als hij het had, was het binnen een dag op. Hij had eens een briefje van honderd gulden op zak en stak het zomaar in de fik en zei: ‘Ach, als ik iets nodig heb dan neem ik het wel.' Op die manier liet hij zien wat hij van geld vond. Op een dag belde mijn vriendin Gertje al vroeg in de ochtend bij me aan. Zij stoorde me in mijn winterslaap.
‘Sjoerd heeft gisteravond een ongeluk gehad', zei ze ongerust, ‘hij ligt in het ziekenhuis.'
Een paar uur later toen we bij hem in het Wilhelminagasthuis waren, zat Sjoerd alweer monter en frisgewassen tussen de witte lakens. Een verpleegster zat op het randje van zijn bed en draaide vlechtjes in zijn baard. Grinnikend zei hij dat het geen kwaad kon om in deze barre tijden eens even in een echt bed te slapen en lekker verzorgd te worden. En ach ja, die auto had hem lichtelijk aangereden en toen de ambulance kwam, dacht hij laat maar gaan, ik zie wel hoe het loopt.
Drie dagen later haalden Gertje en ik hem weer op uit het ziekenhuis. Ik geloofde mijn ogen niet. Daar kwam Sjoerd aangelopen. In een keurig pak, zijn haar pas gewassen, kortom: spic en span. Hij droeg een grote koffer.
‘Wat zit daar in die koffer, Sjoerd,' vroeg ik, het meest vreselijke vermoedend. ‘Armen en benen op sterk water, of zo?'
‘Dat laat ik je straks wel zien,' grijnsde hij.
In mijn Fiatje 600 scheurden we door de straten want met mijn grenzeloze nieuwsgierigheid kon ik het moment suprême bijna niet afwachten.Toen wij bij mij thuis kwamen, ging de koffer open en daar kwamen uit: een paar operatiejassen, een verpleegsterscape, twee doktersjassen, een stethoscoop en nog enige operatie-instrumenten.
Zo komt Splinter door de winter dacht ik bij mezelf oftewel: arbeid adelt maar de adel arbeidt niet.

zondag 1 april 2012

Gertje

Toen ik zaterdag van de Noordermarkt afkwam en langs mijn oude woninkje reed in de Jordaan, stond de deur open.
Nieuwsgierig loerde ik naar binnen en zag dat het trapgat was afgesloten. Een damesjup en een paar koters stonden bij de deuropening en ik begreep dat zij daar nu woonden. Het hele pand hadden ze gekocht en de ingang was via het benedenhuis. Mijn oude trap fungeerde als berghok.
Zesenveertig jaar geleden woonde ik op de eerste verdieping van dat huis in de Tuinstraat voor slechts drieëntwintig gulden per maand. Gertje woonde in de Egelantiersstraat pal achter mij. Ze was etser en leed aan manies. Tijdens de periodes van hard werken, etste ze duurzaam naar een expositie toe, ruimde obsessief haar huis op en leefde als kluizenaar. Ogenschijnlijk degelijk en solide.
Als het omsloeg, kwam ze in de oppositie: 180 graden de andere kant op. Haar huis werd een puinhoop, haar ogen stonden bezeten, het was afgelopen met werken en ze hing uitsluitend nog maar in de kroeg rond. Ze verzoop al haar geld, gaf gulhartig rondjes weg en gedroeg zich als een furie.
Als ik met haar aan de bar hing, moest geen man het proberen naar mij te lonken, laat staan versieren want Gertje sprong op en met het gebaar van een Gorilla die op z'n borst klopt, brulde ze dan: kijk voor je, dat wijf is van mij-ijijijijijijij.
Althans dat laatste dacht ze.
Tenslotte werd haar overal de deur geweigerd met name die van het café. Alle grenzen vervaagden, ze kon werkelijkheid niet meer van illusie onderscheiden en ze fantaseerde erop los.
In die periode hield ze op zekere dag voor enkele vrienden een elitair feestje. Ook ik behoorde bij de genodigden. We zouden komen eten.
Kip uit de oven, verklapte ze met een té ondeugende blik.
Het bezoek druppelde binnen en op haar platje heerste al gauw een grote feestvreugde. De ene fles wijn na de andere werd achterover geslagen en iemand had rode Libanon bij zich. Dat was nog eens goeie hasj.
Daar kwam Gertje aan met een grote schaal waarop vier dampende kippen lagen.
Het selecte gezelschap bestond uit kunstenaars, leeglopers, nietsnutten en ander langharig werkschuw tuig die al een paar dagen bijna niks gegeten hadden vanwege hun lege beurs. Niets kon de feestvreugde meer verstoren.
In de tuin naast ons hoorden we opeens een luid gevloek. De buurman, die tevens kippenboer was, liep met een rood aangelopen, van huisuit vadsige, bolle kop naar de rand van het platje. 
Hij had toch altijd eenentwintig kippen in z’n tuin lopen...
Hij telde razendsnel zijn farm en brulde: ik heb er nu nog maar zeventien en jullie… en jullie… en jullie… Hij sprong zowat uit z’n vel.
Ja, grijnsde Gertje boosaardig met haar puntige wijsvinger naar de gebraden hennen wijzend: en die… en die… en die… zijn van jou-ououououououou!