zaterdag 19 mei 2012

ontstaan van het heelal

Al meer dan een decennia heb ik geen televisie in huis. Het ding kwam me eindeloos m'n strot uit. Wel heb ik een paar informanten die mij als het nodig is op de hoogte houden wanneer zich, een van de zeldzaamheden, een interessant programma heeft voorgedaan. Dan is er altijd nog uitzending gemist om het misgelopen item te bekijken.
Zo vernam ik dat op de avond van Hemelvaartsdag professor Robbert Dijkgraaf een boeiend hoorcollege heeft gegeven over het ontstaan van het universum, de oerknal en de planeet aarde.
Een parallel universum heeft mij sowieso altijd al gefascineerd.
Deze reis door de universa, ruimte en tijd geeft weer eens de nietigheid aan van ons mens-zijn ten opzichte van die gigantische kosmos.

* college over het ontstaan van het universum
* nabeschouwing, vraag en antwoord


Of om met de filosofische wijsheid van Saswitha te spreken:
Leven is de echo van het Heelal
die zich buigt over zichzelf
ter onderzoek naar zijn tegengesteldheid

* http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1304897  
 16 november 2012
Robbert Dijkgraaf neemt ons mee op reis naar de microkosmos onder de titel Het Allerkleinste. De professor belooft Quantum-theater.

  

woensdag 16 mei 2012

autonomie

mijn alter ego is mijn beste vriend
door dik en dun gaan we
meer dan zes decennia
door het leven

behoefte aan vrienden minimaal
ze zijn dan ook
op een hand te tellen
aan kennissen geen gebrek

vrijblijvendheid hiervan
kan me ten zeerste bekoren
was mijn huis vroeger de zoete inval
waar iedereen kon meedrinken eten en blowen

moet men nu van goeden huize komen
zich in mijn vesting binnen te dringen
voel me verre van gastvrij
ben een gastvrouw van niets

simpelweg te vermoeiend
en teveel rompslomp
bovendien slaat mij bij
het minste geringste de verveling toe

maandag 7 mei 2012

De Engelse Reet



Na een bezoekje aan de Slegte loop ik graag door de rustige Schuttersgalerij die grenst aan de drukke Kalverstraat. Een fraai stuk historisch Amsterdam.
In deze galerij hangen in het openbaar een aantal grote 17e eeuwse schuttersdoeken.
Richting Spui ligt het Begijnhof en links de Begijnensteeg met café De Engelse Reet. Hier ben ik in meer dan vier decennia niet meer geweest.

In tegenstelling tot heden ten dage behoorde de kroeg in de jaren zestig  bij mijn bijna dagelijkse bezigheden. Of ik bleef in de Jordaan bij Café de Westertoren, lees ode aan onze iconen of ik ging het centrum in. 
Scheltema aan de N.Z. Voorburgwal was dan mijn eerste aanleg. Tegenover dit café hadden in die tijd veel uitgeverijen van kranten zich gevestigd. Het publiek bij Scheltema bestond uit kunstenaars, schrijvers en journalisten. Het was niet ongewoon wanneer ik bijschoof aan de stamtafel om met nog een paar schrijvers improviste gedichten of limericks te creëren en voor te dragen na het vooraf verzinnen van een paar thema's.
Vervolgens waren De Koningshut met Harry Sr. achter de bar en Hoppe of De Zwart een optie om te bezoeken.
Via de Leidsestraat kon ik regelmatig achterop het pierement zittend meeliften richting Leidseplein naar Reijnders en een paar huizen verderop Eijlders.
Soms zwenkte ik af naar De Engelse Reet.

De moeite waard om dit etablissement, dat uit 1893 dateert, weer eens te bezoeken. Tot mijn grote genoegen is alles nog steeds bij het oude gebleven en daar hou ik van, nostalgisch als ik ben.
Letterlijk en figuurlijk een bruin café. Opvallend is het ontbreken van een bar en muziek.


Teun, de uitbater, die hier al bijna dertig jaar de scepter zwaait, schuift een schilderij opzij en laat mij het verschil van kleur zien.
Vijfenveertig jaar geleden zijn de muren door mijn vader voor het laatst geschilderd, glundert hij.
Het café heet eigenlijk De Pilsener Club maar sinds 1920 kreeg het een alias: De Engelse Reet.
Waarom Engelse Reet, wil ik weten.
Wat had je gedacht, riposteert hij.
Reet, kier, spleet, kloof...
Ja, dus de nauwe doorgang van de Engelse kerk op het Begijnhof naar hier.
Had ik eerder kunnen bedenken met mijn associatief vermogen.
Hoeveel bieren worden hier geschonken?
Ongeveer tweeëntwintig, telt Teun.


Als je hierachter mijn tap wilt zien, ben je welkom.
Dat laat ik me geen twee keer zeggen, ik betreed graag een authentiek domein waar de sfeer van zo'n 120 jaar spiritualiën voelbaar is en mijn fantasie gevoed wordt. 
Links van het gangetje is de tap in een nisje verdekt opgesteld.



Ik zie een schilderij van een valk met een kroon op zijn kop hoog aan de muur hangen en wil weten of dat enige symbolische betekenis heeft.
Jazeker, daar zit een heel verhaal bij.
't Zou niet zo zijn.
De Engelse Reet schenkt het unieke Van Vollenhoven's Stout op fles. Eens per jaar vindt er een presentatie plaats dan komt dit bier van het fust. Het is een jaarlijkse traditie die druk bezocht wordt, aldus Teun.
Ik mag het genoegen smaken het bier te proeven maar je moet ervan houden, het beste vergelijk is de Quinness, van een koffie-achtige bitterheid, dus een échte Stout. 
Via het getoonde foto- en knipselboek over de historie van de brouwerij van de familie Van Vollenhoven word ik weer een en ander wijzer.


















De gekroonde Valk was een bierbrouwerij gelegen tussen de
Hoogte Kadijk en de Nieuwe Vaart. Rond 1900 was het bedrijf de grootste brouwerij van de stad.
* De brouwerij en azijnmakerij, werd in 1733 in Amsterdam opgericht door Jan van den Bosch. De familie Van Vollenhoven nam het bedrijf in 1791 over en gaf haar naam aan verschillende bieren. Het op de bierflessen afgebeelde beeldmerk toonde een valk met een kroontje op de kop.Ter gelegenheid van het 100 jarige bestaan van het bedrijf in 1891 werd op een 5,5 meter hoge zuil bij de toegangspoort een gietijzeren beeld van een gekroonde valk geplaatst. Tegenwoordig staat de zuil met daarop een replica van het beeld op de hoek van de Hoogte Kadijk en de Buiten Kadijken. 

* citaat uit Gekroonde Valk historie



Mijn volgende gang is naar de Hoogte Kadijk om daar de Gekroonde Valk in al zijn glorie te aanschouwen en voor eeuwig vast te leggen. Een afzakkertje op steenworp afstand daarvan, bij café Scharrebier op het Rapenburgerplein, ligt voor de hand.












woensdag 25 april 2012

Carmina Burana

van Carl Orff
muziekuitvoering door Geert Groote College in de Vredeskerk
20 april 2012


zaterdag 21 april 2012

Nanette, lieve vriendin, 55 geworden
en om dit feest te veraangenamen
nodigt zij ons uit bij de Indonees
met al haar vriendinnen tezamen

je interesse in astrologie is mij welbekend
zonneklaar dat tussen schaduw en maanlicht
een present der lichtende facetten
voor de hand ligt

I Tjing en tarot zijn jou niet vreemd
raadplegen van het orakel
planeten in verhouding met de goden
van passiespel tot minnespel

jouw werk, interesse en omgang
met onze Islamitische gemeenschap
brachten mij bij een roman van een Arabische schrijver
ik koos voor dit boek, na het lezen van de achterflap

in deze controversiële allegorie Kinderen van Gabalawi
zegt hij alle gevestigde religies vaarwel en laat god
in de gedaante van een zwarte bediende vermoorden
en evoceert hiermee over zichzelf het noodlot

vandaag Nanettes feest
een hoogtijdag van memorabele schoonheid
ik wens je nog vele jaren levensgenieten toe
met een goede gezondheid

van harte-lijks
es
21 april 2012

zondag 15 april 2012

love in vain

over liefde gesproken
 
Mick Jagger
 


                                                                           Rod Stewart

Willem Waterman (deel I)



Ik was begin twintig. De jaren vijftig hadden we gelukkig achter ons liggen. Uit pure compensatie en om uit die grijsgrauwe sleur te breken, stortte ik me in het uitgaansleven. Kroeg in kroeg uit stond als eerste op mijn lijst. Drinken, de lust van m’n leven. De wilde wijventijd was aangebroken.
In die tijd draaide ik rond in een kringetje van kunstenaars, semi-kunstenaars en intellectuelen. Een scènetje van veel pathetisch gepraat, gedrevenheid en geëxalteerdheid met natuurlijk een maximum aan drank. Al gauw hadden we het predikaat van langharig werkschuw tuig.
Zo was er Willem Waterman, met verschillende pseudoniemen waaronder Willy van der Heide en Willem van den Hout. Schrijver was hij van beroep, bekend van de Bob Eversserie.
Hij had het rauwe uiterlijk van een zeebonk met zijn kapiteinspet op en grote snor. In die tijd leefde hij op een schip. Dagelijks peddelde hij met z’n bootje door de grachten en meerde dan aan bij een bootterras aan de Prinsengracht waar ik en m’n vriendinnen in het zonnetje aan het borrelen waren.
Vloekend kwam hij aan en vloekend met bulderende lach vertrok hij weer. Geregeld ergerden we ons aan zijn gescheld en getier, een kakofonie van woorden. Naarmate de alcohol vloeide, ontstond er een overmaat van woorden, een crescendo van blaaskakerij en gelal, een ware terreur.
In de verte zagen we Willem alweer aan komen tuffen. We besloten hem een lesje te leren. De niets vermoedende Willem verankerde zijn bootje, stapte ‘godverdomme middag dames’ kretend op het terras, begon met overslaande stem te oreren en werd meteen door een paar potige meiden vastgegrepen. Vervolgens rukten we hem het hemd van zijn lijf en scheurden de broek van zijn kont en gooiden de heftig tegenspartelende Willem in de gracht. Z’n kleren erachter aan.
Zo droop hij af met een zwaar onthutst gezicht en uitgelachen door al die pimpelende dames op het terras. Het temperde enigszins zijn seksistische gelul.

zie ook: Willem Waterman (deel II)

zaterdag 14 april 2012

Willem Waterman (deel II)


Ondanks z'n geloei en georeer had Willem ook een andere kant. Ik vond de schreeuwlelijk een boeiende man met kwaliteiten. Hij verstond absoluut de kunst van het leven en noemde zich bij herhaling een Pallieterachtig figuur. Hij deed precies waar hij zin in had en had schijt aan de wereld.
Hij schreef beeldend zoals hij sprak en andersom. Door de tijd heen ontmoetten we elkaar geregeld in de kroeg en hielden contact.
Nadat hij zijn boek: Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig had geschreven, ontving ik eind '78 een brief van hem. Daarin stelde hij voor om samen met mij een boek te gaan schrijven.
Hij had al twee titels in zijn hoofd.
Het zou: De man die vrouwen begreep worden en hij veronderstelde dat geen enkele vrouw zo'n boek zou kunnen laten liggen.
Deze brief kwam ik onlangs tegen in een oude doos. Ik heb 'm gescand en doe er hieronder gewag van.



Bij tijd en wijle schreven Willem en ik stukken tekst die op een oude rammelende schrijfmachine door hem werd uitgetypt. Het begon al een aardig manuscript te worden. Ondanks dat hij zichzelf een hoge ouderdom had beloofd en hij al zijn vijanden had willen overleven is hij slechts 69 geworden.
Begin '85 werd een verwaarloosd hartinfarct Willem fataal.
Ons boek is er nooit gekomen en het manuscript is tot mijn leedwezen verloren geraakt.


 zie ook: Willem Waterman (deel I)

vrijdag 13 april 2012

De Roof van de Sabijnse Maagden

Dit sous-realistisch proefstuk geschreven door Willem W. Waterman en geïllustreerd door Flip van der Burgt bestaat uit vier delen:
Intro
De Naderende Ruiters
De Strijd in Sabine
De Kampplaats

Exemplaar 73 kreeg ik op 25 mei 1970 cadeau. Op 19 augustus 1972 schreef Willem zijn speciale opdracht in deze bundel.

Hieronder volgt de weergave.

donderdag 12 april 2012

De Roof van de Sabijnse Maagden

 
 
 
 
De Roof
van de Sabijnse
Maagden
 
 
een sous-realistisch proefstuk in klankkleur, ritme en plastiek
 
 
NEDERLANDSCHE KEURBOEKERIJ N.V. - AMSTERDAM
Willem W. Waterman
Flip van der Burgt

woensdag 11 april 2012

Intro

Intro
Verzonken in Morpheus' tochtvrije spelonken,
virgijne Sabijnen, twaalfmaal een dozijn,
zo toeven de reinen en rusten en ronken:
de pronk der Romeinen - uitbundig van lijn.
De zwoelige wind kust hun woelige vormen -
het maanlicht ruist neer op hun duldeloos naakt
en rust op hun boezems, de reeds zo enorme:
een lust voor het oog van de éne, die waakt.
Want La Lesbia waakt! Geen slaap brengt verkwikking
aan haar, die de maagdenschaar rusteloos hoedt;
die bekoorlijke ooien, belust op een fikking,
ten prooi aan de prang van hun bruisende bloed.
Die satrapen aangapen als bronstige schapen,
belust op Zodiac's zwervende ram;
hun tedere schaam orthodox voor het kapen,
maar... La Lesbia waakt bij het hek op de dam.
La Lesbia waakt in het purperen duister:
drie centenaars rosbief... vol innige schroom.
Haar maagden ontstijgt een onzegbaar gefluister:
het zwanger symptoom van erotisch gedroom.
Ah... stringent firmament vol autarkische zonnen,
astraal cellofaan rond een maandagse lunch -
Spartaans carnaval vol van klanken in tonnen;
aangrijpend symbool van een doopvont vol punch.
Hecht cataclysma van whisky in vaten,
croquant ambrozijn op hemelse pof -
nostalgische neus op immense prelaten,
synthetisch serpent op een laars en een slof;
vertoornd molecuul vol sucaden ionen,
barbaars circonflex in een verveloos land -
futiel dromend Lipsslot - met dertien Mormonen,
op oudejaarsavond bij kaarslicht gestrand.
De marmeren zaal is vol krolse fantomen:
de wellust omzweeft dit vestaalse paleis;
hun onderbewustzijn ontploft in hun dromen
en Priapus pijpt in dit preuts paradijs!
Doch... La Lesbia waakt! Geen zwoele creaties
doorwoelen haar zuiver clitorische brein -
zij is immuun voor genotsaspiraties,
anders dan die van het lesbisch festijn.
Zij treedt in het maanlicht van sponde tot sponde,
de zwijgende ronde der vrouw van gezag.
Ginds heeft haar bronstbeet een boezem geschonden:
dat schouwspel ontlokt haar een tedere lach.
Doch een soort praemonitie van kwalijke euvels
brengt onrust teweeg in haar gigantesk gat.
Zij treedt voor het raam en ziet uit naar de heuvels:
een glooiende ring rond de slapende stad.
Het ruimteloos zwerk staat bezaaid met protonen;
een roerdomp beloert het Canal du Midi.
Een zwanger gerucht treft de wakende schone:
een Rooms a-b-c? Of een Grieks phi-chi-psi?
De nacht is hautain als een zwijgzaam conclave.
Het voorgevoel zingt als een vals carillon.
Haar vrezend gemoed is vol roerende have.
Een zilvervos zingt zijn geschrokken pardon
In Orion luidt een verloren triangel.
Zij waant zich een bruid als een koperen non.
Een Fatum vol wodka vertrekt uit Archangel -
een wiegelied deint sur les ponts d'Avignon.
Doch... La Lesbia waakt! Geen manzieke weelde
floreert in haar schromeloos, waardig gemoed,
dat wars is van beelden, die zelden verveelden,
en menig Sabijn stiekem zwijmelen doet.
Haar sobere ziel kent beduchte neurose.
Grif klimt langs haar kleurloze meridiaan
het ontzet amulet van een boze psychose,
waar het mannelijk lid naar een trouwma gaat staan.
Gij, Trots van de rijdende Water- en Vuurvrouwen;
Jonkvrouw de Pas du Plaisir à Minuit;
Groot-Vizierin der Romeinse Kartouwen,
Beschermvrouwe ook van het Kuise Etui.
Immens is de deugdkracht die straalt uit haar wezen.
Die eert en boetseert haar prozaïsche pui.
Haar afkeer van masculijn kozen en kezen
bloeit stil en sereen... als een tedere ui.
Ja - La Lesbia waakt! Al horen haar oren
geen dreigende klank en geen tastbaar tumult:
haar vreze is juist, want het Lot, hun beschoren,
ijlt droomloos nabij - in een stofwolk gehuld.

dinsdag 10 april 2012

De Naderende Ruiters

tweede deel:

De drachtige maan, overrijp als een broodvrucht,
hangt zwoel uit het zwerk, lijk een lome meloen,
en langs de plataan, in een barnende noodvlucht,
wiekt gonzend het heus van een vloeibaar gezoen.
Mutatus mutandis, o wierook der zonden!
Primitief kwaad als een statig galjoen...
dreunende hoefslag uit liefdeloos Londen;
vlakkerend beeld van een bloedig blazoen:
twee klimmende grondels, beducht voor de hemel,
gelaarsd en geklauwd op een veld van venijn;
de rechtse neutraal, met een knots als een kemel -
de linkse beducht voor haar teder vagijn.
Hoogdravende rossen, zo vurig als tonder,
passeren een vlonder - hun hoefslag sonoor
Zij gaan door een stad als een grollende donder:
een lillende vrees in hun liederlijk spoor.
Het landelijk stof doft hun zwetende flanken,
vlokkerig schuim tooit het ijzeren bit -
kettingen rink'len met tink'lende klanken:
een zachte muziek bij hun dreunende rit.
De roffel der hoeven van snuivende paarden
verrolt langs de heuvels en ijlt hun vooruit
langs de bevende aarde, en wie hen ontwaarde
verbleekt bij de grom van dit somber geluid.
Murw politoer van verkrachte balilla's
in mimicry dwalend, verkleurd tot kobalt.
Welaan - carpe diem! En pluk de projectie
die scheef langs het hellende heuvelvlak valt:
een nachtcavalcade van mannen, wier daden,
roemrucht en vermaard als hun drieste galop,
minstreels inspireerden tot rosse balladen
en jonkvrouwenharten tot snellere klop.
Zij klimmen door nevels langs rotsige paden,
versmaden de weg voor het ruige ravijn;
zij kruisen de stroom die zij spoorslags doorwaden:
het spattende nat een verschrikte fontein.
Zij rollen langs heuvels - een zwarte lawine -
één heet visioen vult hun brandende brein:
de buit van een bruid uit het slapend Sabine!
En rusteloos lokt hen dit nakend festijn.
Vier vorsten, die zelden hun sperma vermorsten,
zij sporen hun rossen en zweren bij Zeus!
Vier helden die dorsten naar zwellende borsten:
O, naakt visioen van het delicaat kruis!
Contrastrijke vierschaar van heidens gehalte,
vereend rond de staf van hun phallische vlag:
vier ruiters, vrijbuiters van fiere gestalte
en vèr voor hen uit klinkt de dreunende lach
van de blonde Brabagne, die bronstige vrouwen
en wijnen als zijn requisieten begeert:
product van een kruising van gelderse gouwen
en vlaamse landouwen, exquisiet geflankeerd
door François, Comte du Droux, precieus in zijn rijden,
gevolgd door zijn schildknaap, zijn schandknaap, zijn nar,
als een kostbaar bijou in velours, kant en zijde,
en zijn spotlachjes glijden, in sierlijke sar,
naar de reus aan zijn zijde: de zwarte Sindoro,
die de teugels omklemt in een harige vuist.
En gans links jaagt Il Toro, die de Rio del' Oro
bezwom, waar het water de rotsen vergruist.
Illustere nimbus rond louche protonen;
macabere dans na een innig sermoen.
Bewuste lyriek van pathetische tonen,
jaloers op de rust van de vrome pompoen.

maandag 9 april 2012

De Strijd in Sabine

derde deel:
Zacht suist de wind langs de kam van de heuvel.
Twaalfmaal slaat de klok op Sabine's stadhuis.
Het Khismet ontbloeit in een mimisch gekeuvel
en ruist met de droes van een heilloos: „niet pluis!"
De rovensbent wacht. Hun gnuivende rossen,
de achterhand schrap op het glooiende gras,
zien cynisch terneer op de snuivende ossen
en de vredige velden vol wuivende was.
Sindoro wacht somber - zijn klok in zijn handen,
Il Toro ontrolt zijn kastoren banier:
een koevoet die rent langs belendende panden,
met in hun verlengde een talmende stier.
Brabagne ontkurkt nu zijn laatste champagne
en wiegt in de zadel - zo zat als een meeuw.
François, Comte du Droux, overziet La Campagne,
zijn kanten kerchief smoort bevallig een geeuw.
„Vittoro, Jandoro!" zo brult thans Sindoro;
zijn sporen doorboren zijn peigerend ros.
Geen kip komt hun voro - zij stormen rechtdoro,
de klewang gereed en de broeksknopen los.
Satanische bandjir van brute sujetten,
brallend berennend dit schuldeloos dal!
Teugelloos drama van heel korte metten -
raphengstenwedren, belust op de stal.
Doch... La Lesbia waakt! Haar ogen ontwaren
de flikker van staal? Een gepantserde knie?
Haar heldere kreet galmt langs witte pilaren
en waarschuwt haar lichtere cavalerie:
„Te wapen! Te wapen! De stad is vol knapen!
Te wapen, mijn maagden, met schild en met speer!
Te wapen! Valt aan op die harige apen!
Staat pal, mijne maagden, verdedigt uw eer!"
Doch... niemand stormt aan om haar flank te beschermen,
geen wijf van de lijfwacht verdedigt de straat;
zij giechelen geil, inplaats van te kermen,
of leggen zich neer - in hysterisch verraad.
Jambisch dispuut van ontzenuwde hoeren,
episch versmaad in hun purperen fuik:
het mateloos manko aan puike amouren
het hijgend motief voor een slok uit de kruik.
Tropisch allegro van vuurvast gekanker,
mannentaal teistert het panisch district.
De hoop rukt vergeefs aan een grondeloos anker:
La Lesbia wikt... doch Sindoro beschikt.
O, geile barbaren! - O, vuile haetaren!
La Lesbia wringt zich de handen in spijt.
Verzaakt men het zich in de phalanx te scharen?
Begroet men de phallos met heim'lijk jolijt?
Een doelloos Thermopylae? Doelloos? Dàt nimmer!
Háár deugd zal de haren hun plicht doen verstaan.
Een vers Mene Tekel - een motto voor immer:
haar drachtig kadaver een machtig vermaan.
Dan nadert een reus, en de schijn der lantaren
onthult hem de lijn der enorme virgijn.
„Laat af!" dreunt zijn stem, en zijn gitzwarte haren
omzwieren zijn schouders: „Dit boutje is mijn!"
Zij staat als een rots in de poort van haar woning.
„Gij neemt mij," zo zegt zij, „slechts over mijn lijk!"
Sindoro lacht schamper: „Bezit ge verschoning?
Leg die dan maar liever vlak binnen bereik!"
Eén slag met zijn zwaard... en het leed is geleden.
Haar wapen zijgt neer... Zij wankelt terug.
Hij volgt haar: zijn lemmet gericht op haar schede,
tot haar vlucht wordt gestuit door het bed in haar rug.
Doortrapt is zijn mom - door Scrabble mistekend;
waxinelicht treft ieder gruwzaam détail:
de mond, met zijn snor, van wellustigheid sprekend;
het wrede gebit, met zijn glanzend émail
Gij, vunzige druil - als een tuil immortellen
zo zindert haar jeugd! Doch het lokkend geneugt,
zo dikwijls geproefd bij beproefdere dellen,
wordt scherper gewet op het vel van haar jeugd.
Zijn brein is ontbrand in een gretig gespinsel.
Zijn adem behijgt de bekoorlijke bruid.
Hij tast in haar schoot naar haar bloot vruchtbeginsel:
haar omvang belooft een behoorlijke buit.
Doch de aterling faalt! Een corset als een pantser
verdedigt haar bloem. Dit vestaals aggregaat,
haar pens eng omklemmend, fungeert ietwat remmend
op het flukse volvoeren der dreigende daad.
Zijn brullende lach stolt het bloed in heur aren.
De dreunende order rolt voort uit zijn baard:
„Brastagi! Isonzo! Grijpt vast die haetare
en bind haar buik-down op een extra-best paard!"
De stad is een chaos van boezems en billen,
van snuivende paarden en gnuivend gegraai;
van grieten die gillen, maar stiekem wel willen;
van geklaag door versmaden - te oud en te taai.
Ridicuul crepuscuul vol van lesbisch gekakel,
verbasterde bruid in een sitsen hansop;
hygiënisch geklop op een kuis tabernakel;
starnakel affuit in een ritse galop...
De stenen zij roepen in roerige troepen,
de keien zij schreien - zij schreeuwen het uit!
O, hoort het aangrijpend beroep van de stoepen,
de puien ook luien - zij luien het uit.
Obscuur tafereel: in een weeklagend straatje
ligt lens een fataal verfomfaaide vestaal.
Een scheur in haar keurs toont haar bollend b-haatje.
haar geur suggereert een sub-tropisch schandaal.

zondag 8 april 2012

De Kampplaats

vierde deel:

Sinds lang is de nacht langs zijn zenith geschreden,
sereen heeft Selena de jachtrit aanschouwd;
reeds lang zijn de rossen amechtig gereden,
dan nadert de bent het bivak in het woud:
hun kampplaats - een rampplaats voor drieste vandalen;
de rossen zij lossen hun dubbele vracht.
Het schuchtere mos licht vol schone schandalen,
barbaars brandt het bos in een sombere pracht.
Het plechtige woud staat vol vlammende vuren;
het geurige hout geeft een tampere walm.
De rook rijst rechtop met een hoge allure,
als was elke rookzuil een roerloze palm.
Koortsig gegraaf naar verstopte Jan Doedel.
Rink'lend onthalzen der Veuve Cliquot.
Koortsig gegraaf naar een fles pruimenstroedel,
die fraai wordt versierd, als symbool van de show.
La Lesbia's schaam, met zijn machtige knevel,
is pièce de milieu van dit buikig menu.
Dit soort status quo wekt een wachtende wrevel:
het sec „sowieso" een spontaan „nondeju"!
Sindoro blikt neer op de went'lende teven.
Zijn brallende toespraak klinkt ietwat verward.
Vermaan, dat kwartier dient gevraagd, noch gegeven:
dan lost hij het schot tot de vliegende start.
Vermetele Charge der Louche Brigade:
doldrieste attaque op het maagdelijk vlies.
Tirade op Tennyson's Britse Ballade
en zij stormen vooruit, met de hand aan de spies.
Hymen to left of them, hymen to right of them,
Hymen in front of them, parted and thundered
but onward and heedless of spawn or mayhem
rode the undaunted One Hundred.
(theirs not to reason, to shirk or to chuck,
theirs but to do, to attack and to fuck)
Complot tot een reeks ondermaanse injecties,
romanisch project in dit panisch boudoir.
Gordiaans knoopkruid vol zwangzaadconnecties:
de deugd hangt tegeef als een bang suspensoir.
Knallend begin van een reeks defloraties.
Gratis donaties van technisch advies.
Metéén al urgentie tot noodreparaties:
zwaartillend gehijs aan een lillende lies.
Standen, ontleend aan het boek Kamasoetra,
geparafraseerd met een westers vernuft,
die een kenner, verwekt bij de stroom Brahmapoetra,
waarschijnlijk tot stomheid toe hadden verbluft.
Haarscherp détail van een aardige yoni,
door toortslicht verrast in een eng soixante-neuf,
innig gekust door de baardige tronie
van een schotse tamboer uit de clan van MacDuff,
wiens doedelzak fiks wordt gepijpt door een pure
vestaal, slechts vertrouwd met cymbaal en spinet,
die plots zeer adept blijkt in haar embouchure
op de manlijke fluit bij arcadisch minet.
Brullend gelach om een broekloos mirakel,
tweemaal met brandnetelstengels gepaaid;
driemaal vervolgd onder heidens spektakel;
viermaal gevangen en tòch niet genaaid.
Kansloos strippoker met bankroet canaille.
Sappig discours over hippisch incest.
Steekspel om 's keizerin's Baard de la Taille;
doelloos debat over oorlogsmolest.
Rillend genot bij een gillend orgasme,
extatische vloeken bij dreunend genaai;
kreten, vervuld van een veil pleonasme:
hijgende zuchten en kreunend gekraai.
Applaus om een foutloos gereden prestatie
„of force and adroitness" - op zadelloos paard.
Terloopse kritiek op een paring vol gratie
door afgemat trio, dat gade-loos kaart.
Blakend debuut van ontwakend libido.
Klotsend gefots in een duistere hoek.
Schuchter verzoek om een bruidsreis naar Lido
(desnoods derde klas) met Lissone of Cook.
Gekrijs om de prijs van een woudbloemencorso
van vette blondines: wat mos en wat rips,
met sperma geplakt op hun spiernaakte torso -
een maagdepalm in hun beschadigde bips.
Tableau Vivant door de Blonde Brabagne
(kenlijk geleerd in een Gallisch bordeel),
op zijn rug op een mosbed, gedrenkt met champagne,
verwekt hij gejuich met een vuig tafereel:
op zijn mond rust de kont van een grappig Sabijntje,
zo hitsig en rits als een vrolijke vaars;
zijn tong tot de huig in haar sappig vagijntje;
zijn reus van een neus in haar olijke aars.
In elk van zijn handen de schelp van een Venus;
het spel van elk tenenstel kietelt een griet -
een zesde zit schijlings, doch recht op zijn penis
en rijdt op de maat van een liederlijk lied.
Il Toro geeft blijk van enorme potentie:
een paringsfrequentie, door niemand behaald.
Zijn harem geniet geen moment indolentie,
doch blijft „in the running", en heet van de naald.
Zó zout heeft geen woud het tot dusver gefroten!
Nog nimmer aanschouwd zulk een boud bacchanaal -
nooit werd zo kwistig met sperma geschoten;
zo zoetig gevooisd met zo zoutig een taal.
Géén loofhout zag ooit zulke machtige kloten -
geen mastbos had immer zo prachtig een paal
als die van Sindoro, qua gaafheid en grootte
supreem, en de spil van dit stout saturnaal.
O, trots van Sindoro! O, knots van een phallos!
Zelfrijzend monster, met handelsmerk "Cham!"
Geen vrouw kon zo down zijn, zo diep in de dallas,
die niet op verhaal kwam bij 't zien van díe tam!
Kreten van: „Oh!" bij 't zien der erectie,
welks beeld men nooit trof in een nuchtere krant.
Verrukte verbazing en schuwe inspectie -
voorzichtig getast met een schuchtere hand.
Isabella-getint camisool vol met strikken,
nimmer gekust door een bandeloos sop.
Glimpen van schaamhaar aan schimpende blikken:
flard van een flirtend chemise-enveloppe.
Briljante close-up van een schaamberg vol veren;
lila fantoom van een somber paskwil.
Gezellig aroma van dolende heren,
spiegelend beeld van een kleffe mandril.
Buiken met navels als blinde lantarens,
Kwansuis vertrek naar een nette picnic,
Stomend gewals op een sofa vol varens -
hilarisch tournooi op de steevaste pik.
La Lesbia (heel nog, schoon ietwat geschonden)
ligt pal in het centrum van lal en jolijt.
Haar benen (gespreid aan twee paaltjes gebonden)
onthullen een schaamspleet, een handbreedte wijd.
Dit gapend ravijn wordt het centrum van actie:
zo prachtig een gleuf dient ten snelste geschroefd.
Haar machtige schaamberg verschaft een attractie,
waarop men om beurten zijn krachten beproeft.
Zó groots een tractatie veroorzaakt stagnatie:
gedrang en geschreeuw van „Ik eerst en jij straks!"
Vertwijfeld geroep om een spoed-irrigatie,
die ijlings geschiedt, met een soort Minimax.
François, Comte du Droux, ironiek en vermetel
(omringd van zijn schildknaap, zijn schandknaap, zijn nar),
levert spitse critiek uit zijn prachtvolle zetel,
geplaatst aan de voet van een oeroude spar.
Subtiel savourerend zijn Bénedictine,
één mondhoek getooid door een tâche de beauté,
bij wijlen citerend een flard Lamartine,
roept hij: „Pas reculer que pour mieux sauter!"
„Ah... toujours poussés vers de nouveaux rivages
dans la nuit éternelle emportés sans retour...
Sindoro! Chevalier! Oh, làlà... quel montage!
On dirait: désastreux pour son propre-amour..."
Het vlammenlicht danst in zijn spottende ogen
en glanst in de ring met zijn rode robijn.
Zijn brocaten gewaad ligt met gloed overtogen -
de ragfijne kant heeft een zilveren schijn.
„Mes enfants... regardez! Qu'est ce que c'est? Un mirage?
Le Maîtro Toro... sur une vierge percé!
Ma fois! En tenant dans son bec un fromage!
Hélas, La Fontaine... mais il lui faut manger."
Het buitenste vuur wordt door ieder gemeden.
Daar wordt wat gescharreld - banaal en vulgair.
Iets beter is dit hier, waar kwiek wordt gereden
de klassieke parforce-rit (ventre à terre).
Vuurwerk van bandeloos kuitengeflikker.
Soloballet, onbekleed door één snars.
Mondscheinparade van fluitengekikker,
gehopt op de maat van de huwelijksmars.
Romeinse stoppage van overnaads naaiwerk;
Panem et Singerem, dubbel en dwars.
Poëtische rage van Paul van Ostaaywerk:
grijpstuivertombola, honend en bars.
Goedkeurend geproef aan een fraîse glans penis;
laatdunkend gesnoef op een tam van een el.
Hoogdravend geschroef op een griet die gans héén is -
Kielhalend geloef - met een schoot buitenspel.
Gekrijt en gesmijt met een heel goed japonnetje,
te lang reeds geduld rond de bast van een lief.
Smakkend gesmijt met een speelgoedballonnetje,
gemaakt van een zaadgevuld preservatief.
Ping-pong met een teelbal, getikt van twee Lotjes;
dronken gelal bij een valse guitaar,
versierd met trofeeën van lekke kapotjes
en veroverde scalpen van engelenhaar.
Woordkunstig gesprek, dat verbazend gekuist is
van het stoere woord „hoer" en de dwaze naam „hip".
Hardnekkig dispuut over wat nu juist is:
een hazeschaamlip of een schaamhazelip.
Wat nu? Een maagd, die vertikt om te zwichten!
Vergeefs heeft men driemaal haar bilwerk berend.
Men dromt om haar heen met bezwete gezichten;
zij vloerde zojuist de King Kong van de bent.
Doch een ridder, vermaard om zijn jambische dichten,
grijpt fluks een trochee, zet een knie in haar krent
en weet haar behendig een beentje te lichten.
Het eind van het lied... is een enjambement.
Het perzikenhuidje van menig jong bruidje
wordt mal getraîteerd tot een haveloos vel.
Maar óók wordt gewaagd van een stichtelijk spruitje,
dat hier zich gedraagt als een laveloos lel.
Vinnig gestrengel van armen en benen.
Pinnig gehengel naar billijke griet.
Innig gezwengel door deze en gene;
minnig gebengel van menige tiet.
Sophistisch geklets op ontbolsterde billen.
Sadistisch gepets op wat biefstuk tartare.
Snollig gemats met een paar die graag willen -
prollig gepats met een pooiersgebaar.
Lady Chatterley's Lover, in volle bezetting,
blijkt reuze voor dit dilettantentoneel.
De hoofdrol vervult hier een woudbloemenketting,
gedraaid rond Sindoro's gigantische steel.
Lucullisch tournooi over proeven van sperma,
georganiseerd door François, Comte du Droux.
Hij blinddoekt zes maagden, beginnend bij Herma,
en vraagt hun: „Van wie?" - na gezuig aan een roe.
Herma lijkt glansrijk te winnen op punten:
Sindoro smaakt bitter; Brabagne wat wrang.
Maar Magdalena blijkt in techniek uit te munten:
háár tanden beschramden geen enkele stang.
O, zoentje erop en klapje ertegen!
Verhef u, genotsknots - nog één keer -allà!
Appèl tot een del, in elkander gezegen -
niet meer te bewegen - hors de combat.
Sindoro raakt klem met zijn linker testikel.
François slaat hem gade, en flagrant délit.
(Zijn plompzakken baarde dit pijnlijk perikel,
een welkom object voor Du Droux zijn esprit).
Twee sappige tepels, die hingen als klepels,
bekomen één rover wat zwaar op de maag.
François keurt urine uit zilveren lepels,
een derde eet faeces en vordert gestaag.
De dieren des wouds vinden hier een tractatie:
acht mieren betreden een eenzaam vagijn.
Een kever verdrinkt in een plas masturbatie,
een duizendpoot rent langs een evennachtslijn.
Een mierenleeuw bijt in een machteloos scrotum.
Een pissebed, argloos op zoek naar een dak,
verzeilt in een schaamspleet - o, noodlot, dat doodt 'm! -,
die juist werd gereinigd met rum en cognac.
Een flard van een schaamlip hangt hoog in de sparren.
Een kwak gelig sperma druipt loom langs een beuk.
Drie maagden beginnen alreeds te verstarren:
hun buiken gebutst door het dreunend geneuk.
 Dan, lillend en teder - in lauwwarme fluister,
staat klinkend Brünhilde haar panstalen borst.
Viriel schalt haar stem door 't Wagneriaans duister:
„Wie mot er nog kroepoek, of zuurkool met worst?"
Dan ebt het conflict in dit tragisch gebeuren.
La Lesbia's schaam is een droeve spelonk.
De nachtwind is drachtig van machtige geuren -
de windroos omruist nu het slapend geronk.
Roemloos failliet van het stoer masochisme,
nachtmerries zwevend in nymphomanie.
Zwevend gemijmer in fotsend monisme -
coïtus F-dim... dan het hartloos: „Adie!"
Aphrodite druipt in het moment suprême.
Venus vertoont, in het zenith van pracht,
de macabere grijns van het kwartuur: „je t'aime"
en Eros verzinkt in het nadir der nacht.
Diana rukt in - door Apollo verdreven.
Priapus wijkt - door het daglicht verrast.
Nooit zag de dag zo strident een stilleven:
leeg rust een kruik naast een buik van albast.
Leeg is het fust, en de rust na de ruzie
waart door de lucht lijk een zucht zonder baat.
Moe is de buik: droeve fuik van de fusie,
potent monument voor het zaad van het kwaad.
Verzadigd zijn zij, die de schanddaad begingen.
Verschoten de klankkleur, de hom en de kuit.
En boven het woud - in zijn gierige kringen -
cirkelt de ooievaar: loerend op buit.
Loens mardi-gras van homerisch sadisme.
Pijnlijk abuis rond een kwalijk devies:
kermesse d'epée van een phallisch sophisme:
het rechteloos hymen wuift mat in de bries.

zaterdag 7 april 2012

colofon

Colofon 
In het jaar 1970 werd dit boek gezet op de I.B.M.-
composer uit de Aldine Roman, op de persen van
N.V. Uitgeverij Kerco te Ridderkerk gedrukt
op geschept papier van Papiergroothandel
Van Stolk & Reese N.V., te Rotterdam
in een oplage van zevenhonderd
en vijftig exemplaren, waar-
van de eerste honderd ge-
nummerd van één tot
honderd en ge-
signeerd door
auteur en
graveur
etser
 
 
Dit exemplaar
is nummer
.73..





speciaal opgedragen aan:
Esmeralda
door
Willem W. Waterman
en
Flip van der Burgt

op 19 augustus 1972