nieuwbouw is ontstaan
dure woningen te koop
yuppen rukken op
donderdag 25 oktober 2007
zaterdag 20 oktober 2007
crematie
Vorige week is een goede kennis van mij uit haar lijden verlost. Na jarenlang excessief drankmisbruik is ze uiteindelijk aan uitputting overleden. Een longontsteking gaf de genadeslag. Ik besloot naar haar crematie te gaan en kon meerijden met een vriend van de overledene.
Hij kwam mij met z'n Arola ophalen. Ik hees me in zijn brommobiel en als twee gestopte worsten in een koekblik reden we richting Oosterbegraafplaats. Ik stond versteld hoe wendbaar dat kleine karretje is. Over allerlei heuvels en versperringen kwamen we al hotsend op de Middenweg aan. Nog vijf minuten en we zouden op de plaats van bestemming zijn, dachten we.
Dat we een straat te vroeg afsloegen hadden we niet zo snel in de gaten en voor we het wisten waren we verdwaald in een labyrint van straatjes en pleintjes.
Toen we bij een vuilstortplaats kwamen en daar een paar werklui in actie zagen, ging ik maar eens vragen waar de begraafplaats was. Dat wisten zij niet want ze kwamen uit Brabant maar een was zo helder om ons naar honderd meter verderop te wijzen want daar had hij een grafsteen zien staan. We arriveerden op de aangewezen plaats en het bleek dat we aan de achterkant van het kerkhof waren beland. Inmiddels waren we al een kwartier te laat en reden met de Arola over een kiezelstenen pad.
Ook hier waren geen aanwijzingen naar de ingang of uitgang van het dodenoord te bekennen.
Plots kwam ons uit tegenovergestelde richting een rouwstoet tegemoet van uitsluitend zwarte mensen. Mijn reisgenoot wist me te vertellen dat een week geleden een Ghanese man van het balkon was gesprongen op de vlucht voor de politie omdat hij illegaal was. Hij had het niet overleefd, bleek. De bonte stoet van minstens vijftig meter lang bestond uit mannen en klaagvrouwen. De vrouwen leken in trance en schreeuwden ach en wee in hun eigen taal. Sommigen maakten bezwerende gebaren terwijl ze zich kronkelend voortbewogen. Andere vrouwen zakten door de knieën, werden omhooggetrokken en vervolgens ondersteund door de anderen. Wij weken uit met onze Arola, want wensten niet onder de voet gelopen te worden, en keken onze ogen uit.
Toen we alweer tien minuten verder waren, vonden we uiteindelijk de hoofdingang waar een gastvrouw ons begeleidde naar de plek waar we moesten zijn. De Arola mocht niet voor de deur geparkeerd worden. Omdat mijn metgezel nog maar twintig procent van zijn ademhalingsorgaan kan gebruiken, vanwege een longemfyseem, kwam hij hijgend en puffend aanlopen. Weliswaar met een gigantisch boeket bloemen. Dat had ze nog tegoed van mij, zei hij.
Wij werden binnengelaten en weg gepropt in het kleinste kamertje van het crematorium en ik kon nog net de laatste woorden van de speech verstaan: de overledene is nu bij mama in de hemel.
Er waren weinig mensen maar toch moest de helft blijven staan, waaronder wij. In deze benauwde omgeving mochten we getuige zijn van een engelachtig koor van James Last-achtig allooi en in die tijd konden wij de dode herdenken. Daarna was er koffie en cake en kon ik de gedachte niet onderdrukken dat de overledene en ik in haar goede tijd regelmatig grappen maakten over een spetterende begrafenis mét champagne.
Haar crematie was zoals ze de laatste jaren had geleefd: miserabel, triest, kleurloos, saai en armoedig.
donderdag 4 oktober 2007
de elektrische stoel (deel I)
Sedert enige jaren ervaar ik de wereld buitenshuis anders dan vroeger: op kruishoogte. Mijn gang over straat is namelijk via de elektrische stoel. Waarom dan, vraagt bijna iedereen zich onmiddellijk af.
Vaak is men te bescheiden om mij direct ermee te confronteren maar lees ik vraagtekentjes in de ogen. Natuurlijk lijden we allemaal aan een vorm van nieuwsgierigheid. Ikzelf op de eerste plaats. Het enige nadeel van mijn gevraag zou kunnen zijn dat ik nooit meer van de ondervraagde afkom. Het is me vaak genoeg gebleken dat ik in drie seconden een vraag stel en daar een één-urig antwoord op krijg. Vandaar dat ik niet meer luister naar een langdurige monoloog en wik en weeg alvorens ik naar iemands ellende informeer.
Dan ga ik nu in enkele zinnen de door mij doorstane kommer en kwel melden.
In oktober 1996 had het medisch bolwerk mij een botkanker beloofd en dat zouden ze bewijzen ook. Zestig dagen hielden ze me in spanning met uitsluitend dramatische berichtgevingen over gruwelijke operaties, chemokuren en een nabije dood. Stress en vertwijfeling alom maar ook relativering.
'Ergens' in m'n achterhoofd zei iets: laat ze maar lullen, er is met jou niets aan de hand. Uiteindelijk konden de witjassen na allerlei onderzoeken en biopties kwaadaardigheid uitsluiten en me vertellen dat het geen kanker was maar een steriele botontsteking. De sclerose (botverharding) had een snel groeiend karakter en in een mum van tijd had ik letterlijk en figuurlijk een blok aan m'n been. De foto vertoonde een schitterende rotsformatie.
Oppassen met breken, mevrouw, het bot is zo hard als graniet maar zo broos als kristal, één rare beweging en het zegt krak, zei de professor orthopeed mij en hij adviseerde me een kar aan te schaffen.
Dat betekende inpassen en aanpassen dus.
Nu neig ik sowieso, ondanks m'n natuurlijke recalcitrantie, met de stroom mee te gaan want verzetten heeft geen zin en waarom zou ik het mezelf moeilijker maken dan het is. Zolang ik niet van wie dan ook afhankelijk hoef te zijn, gaat voor mij het leven gewoon door.
Bewust koketteren dan maar, vooral met je narigheid maar wel met stijl. Daarom die vreselijk saaie kar van een facelift voorzien. Iets wat ziek, zwak en misselijk lijkt, hoeft nog niet zo te zijn. Ik heb hem bekleed met fluwelen draperieën en maskers. M'n grootste lol is met scherpe bochten door het verlaten overzichtelijke Bilderdijkparkje te scheuren. Als een Lucky Luke schiet ik door de straten, m'n schaduw achterlatend en zie hoe ik mensen gelukkig kan maken door m'n verschijning. Wat heb ik zoal gehoord: het spook van de opera, gejaagd door de wind, rariteitencabinet, halloween, Dracula, Zorro, luide lachsalvo's en toesnellende toeristen met fotocamera's.
Sommigen denken dat ik een performance opvoer of met straattheater bezig ben.
The show must go on! Dankzij mijn elektrische stoel.
Zie ook:
de elektrische stoel (deel II)
little red rooster
Vaak is men te bescheiden om mij direct ermee te confronteren maar lees ik vraagtekentjes in de ogen. Natuurlijk lijden we allemaal aan een vorm van nieuwsgierigheid. Ikzelf op de eerste plaats. Het enige nadeel van mijn gevraag zou kunnen zijn dat ik nooit meer van de ondervraagde afkom. Het is me vaak genoeg gebleken dat ik in drie seconden een vraag stel en daar een één-urig antwoord op krijg. Vandaar dat ik niet meer luister naar een langdurige monoloog en wik en weeg alvorens ik naar iemands ellende informeer.
Dan ga ik nu in enkele zinnen de door mij doorstane kommer en kwel melden.
In oktober 1996 had het medisch bolwerk mij een botkanker beloofd en dat zouden ze bewijzen ook. Zestig dagen hielden ze me in spanning met uitsluitend dramatische berichtgevingen over gruwelijke operaties, chemokuren en een nabije dood. Stress en vertwijfeling alom maar ook relativering.
'Ergens' in m'n achterhoofd zei iets: laat ze maar lullen, er is met jou niets aan de hand. Uiteindelijk konden de witjassen na allerlei onderzoeken en biopties kwaadaardigheid uitsluiten en me vertellen dat het geen kanker was maar een steriele botontsteking. De sclerose (botverharding) had een snel groeiend karakter en in een mum van tijd had ik letterlijk en figuurlijk een blok aan m'n been. De foto vertoonde een schitterende rotsformatie.
Oppassen met breken, mevrouw, het bot is zo hard als graniet maar zo broos als kristal, één rare beweging en het zegt krak, zei de professor orthopeed mij en hij adviseerde me een kar aan te schaffen.
Dat betekende inpassen en aanpassen dus.
Nu neig ik sowieso, ondanks m'n natuurlijke recalcitrantie, met de stroom mee te gaan want verzetten heeft geen zin en waarom zou ik het mezelf moeilijker maken dan het is. Zolang ik niet van wie dan ook afhankelijk hoef te zijn, gaat voor mij het leven gewoon door.
Bewust koketteren dan maar, vooral met je narigheid maar wel met stijl. Daarom die vreselijk saaie kar van een facelift voorzien. Iets wat ziek, zwak en misselijk lijkt, hoeft nog niet zo te zijn. Ik heb hem bekleed met fluwelen draperieën en maskers. M'n grootste lol is met scherpe bochten door het verlaten overzichtelijke Bilderdijkparkje te scheuren. Als een Lucky Luke schiet ik door de straten, m'n schaduw achterlatend en zie hoe ik mensen gelukkig kan maken door m'n verschijning. Wat heb ik zoal gehoord: het spook van de opera, gejaagd door de wind, rariteitencabinet, halloween, Dracula, Zorro, luide lachsalvo's en toesnellende toeristen met fotocamera's.
Sommigen denken dat ik een performance opvoer of met straattheater bezig ben.
The show must go on! Dankzij mijn elektrische stoel.
Zie ook:
de elektrische stoel (deel II)
little red rooster
dinsdag 2 oktober 2007
de elektrische stoel (deel II)
In de tijd dat ik nog swingend over straat liep en in de verte een scootmobiel aan zag komen stuntelen, mompelde ik geregeld binnensmonds: daar heb je de terreur.
Menigmaal ben ik tegen m'n schenen of kuiten gereden of zag ik in de supermarkt een stelling ineenstorten als er weer eens een ongecoördineerde invalide achteruit reed in plaats van vooruit. Dit onvergetelijke schouwspel heb ik ooit mogen meemaken bij de Blokker, dwars door de glasvitrine reed de oude man.
Wat mij vooral zo ergert is de mentaliteit van onze gebrekkige medemens.
Je op de stoep tegemoetkomend, hebben ze het idee dat ze op alles en iedereen voorrang hebben. Zich overal doorheen persen en je de pas afsnijden is een vaak voorkomend euvel.
Toen ik dus het genoegen mocht smaken om zelf in de elektrische stoel te rijden, was mij een ding duidelijk: ik zou het goede voorbeeld geven en zodoende het imago van de invalide en bejaarde opvijzelen.
Ik rij niet graag als een slak over de stoep. Soms kan ik het niet vermijden.
Zoals iedereen bekend is, staan de trottoirs van Amsterdam stampvol met her en der geparkeerde en onderuitgevallen fietsen, soms rijen dik. Of er staat weer een vrachtwagen te laden en te lossen of er moet weer zo nodig een huis gezandstraald worden met als gevolg een steiger tot bijna bij de goot.
Op zo'n moment van smalle doorgang zie je de wrevel reeds in de ogen van de tegemoetkomende wandelaar en kun je zijn gedachte lezen: weer zo'n stumper die moet voordringen.
Als ik dan stop en pontificaal een uitnodigend elegant gebaar van gaat uw gang maak, zie je zowaar een glimlach verschijnen.
Zoals ik reeds in de elektrische stoel (deel I) aangaf, scheur ik graag langs 's-heren wegen. Van verre overzie ik de straat en zo mogelijk geef ik vol gas.
Laatst zag ik een invalide-medemens gehavend en bekneld in de bosjes liggen, haar kar met een wiel in de lucht.
Ben gekanteld en gevallen, kon ze tussen twee astma-aanvallen uitbrengen. Algauw kwamen een paar vriendelijk potige mannen aanlopen om de vrouw uit haar benarde positie te bevrijden.
Op dat moment ontstond bij mij het alleraardigste idee om mijn rijkunsten te vertonen, mijn misdeelde naasten hier en daar wat aanwijzingen te geven en ze te vertellen wat ze vooral niét moesten doen. Ik meldde mij aan als vrijwilliger bij allerlei hulpinstanties en menigeen zou het in beraad nemen en in de groep gooien.
De grote dag was aangebroken. Het experiment zou plaatsvinden en we verzamelden ons bij een buurthuis.
In een praatje vooraf vertelde ik dat je nooit ineens het gas moet loslaten omdat je dan onmiddellijk een achterligger in je nek krijgt. Te langzaam rijden op een fietspad is ook geen goed idee want voor je het weet, rij je in file met jou als koprijder. Ik hoef niet uit te leggen dat dit irritatie en frustratie oplevert voor diegenen die haast hebben achter jou.
Dan is het terugnemen van gas voor de bocht en geven erin een nieuwtje voor iemand die nooit z'n rijbewijs heeft gehaald. Dat je met je gewicht moet spelen in zo'n bocht hadden ze helemaal nog nooit gehoord. Van diversen vernam ik dat ze slagzij hadden gemaakt.
Daarna kwam het praktische gedeelte. We hadden een plein uitgezocht met enige obstakels, een hellinkje en een paar bomen. Ik zou ze laten zien hoe je kunt slalommen.
Na mijn rondje gemaakt te hebben zag ik wat witte en groene gezichten.
Na zich vermand te hebben, piepend: dat durven wij niet, reden ze in optocht dapper achter me aan.
Ik hield me in.
Alle obstakels waren genomen en men waande zich een hele Piet. In de volgende ronde moedigde ik meneer van Dalen aan alleen een rondje te maken.
Mijn waarschuwende: rustig aan hoor mocht niet baten.
Overmoedig reed hij vol gas weg en door de bocht. Het lichaam zwenkte precies naar die kant waar het niet zijn moest, alle drie de wielen van de vloer en de kar op z'n kant.
Meneer van Dalen werd met lichte schaafwonden onder de kar vandaan getrokken. Geschrokken en bleek werd de oude baas afgevoerd. Daarna heb ik de rest van het gezelschap verteld wat er mis was gegaan en laten zien hoe het wél moest.
Iedereen knikte heftig ja, blij dat ze weer naar binnen mochten want daar stond de koffie klaar.
De rijles is slechts eenmalig geweest.
Moraal van het verhaal: wil ik eens iets doen voor mijn medemens, is het weer niet gelukt.
zie ook: little red rooster
Menigmaal ben ik tegen m'n schenen of kuiten gereden of zag ik in de supermarkt een stelling ineenstorten als er weer eens een ongecoördineerde invalide achteruit reed in plaats van vooruit. Dit onvergetelijke schouwspel heb ik ooit mogen meemaken bij de Blokker, dwars door de glasvitrine reed de oude man.
Wat mij vooral zo ergert is de mentaliteit van onze gebrekkige medemens.
Je op de stoep tegemoetkomend, hebben ze het idee dat ze op alles en iedereen voorrang hebben. Zich overal doorheen persen en je de pas afsnijden is een vaak voorkomend euvel.
Toen ik dus het genoegen mocht smaken om zelf in de elektrische stoel te rijden, was mij een ding duidelijk: ik zou het goede voorbeeld geven en zodoende het imago van de invalide en bejaarde opvijzelen.
Ik rij niet graag als een slak over de stoep. Soms kan ik het niet vermijden.
Zoals iedereen bekend is, staan de trottoirs van Amsterdam stampvol met her en der geparkeerde en onderuitgevallen fietsen, soms rijen dik. Of er staat weer een vrachtwagen te laden en te lossen of er moet weer zo nodig een huis gezandstraald worden met als gevolg een steiger tot bijna bij de goot.
Op zo'n moment van smalle doorgang zie je de wrevel reeds in de ogen van de tegemoetkomende wandelaar en kun je zijn gedachte lezen: weer zo'n stumper die moet voordringen.
Als ik dan stop en pontificaal een uitnodigend elegant gebaar van gaat uw gang maak, zie je zowaar een glimlach verschijnen.
Zoals ik reeds in de elektrische stoel (deel I) aangaf, scheur ik graag langs 's-heren wegen. Van verre overzie ik de straat en zo mogelijk geef ik vol gas.
Laatst zag ik een invalide-medemens gehavend en bekneld in de bosjes liggen, haar kar met een wiel in de lucht.
Ben gekanteld en gevallen, kon ze tussen twee astma-aanvallen uitbrengen. Algauw kwamen een paar vriendelijk potige mannen aanlopen om de vrouw uit haar benarde positie te bevrijden.
Op dat moment ontstond bij mij het alleraardigste idee om mijn rijkunsten te vertonen, mijn misdeelde naasten hier en daar wat aanwijzingen te geven en ze te vertellen wat ze vooral niét moesten doen. Ik meldde mij aan als vrijwilliger bij allerlei hulpinstanties en menigeen zou het in beraad nemen en in de groep gooien.
De grote dag was aangebroken. Het experiment zou plaatsvinden en we verzamelden ons bij een buurthuis.
In een praatje vooraf vertelde ik dat je nooit ineens het gas moet loslaten omdat je dan onmiddellijk een achterligger in je nek krijgt. Te langzaam rijden op een fietspad is ook geen goed idee want voor je het weet, rij je in file met jou als koprijder. Ik hoef niet uit te leggen dat dit irritatie en frustratie oplevert voor diegenen die haast hebben achter jou.
Dan is het terugnemen van gas voor de bocht en geven erin een nieuwtje voor iemand die nooit z'n rijbewijs heeft gehaald. Dat je met je gewicht moet spelen in zo'n bocht hadden ze helemaal nog nooit gehoord. Van diversen vernam ik dat ze slagzij hadden gemaakt.
Daarna kwam het praktische gedeelte. We hadden een plein uitgezocht met enige obstakels, een hellinkje en een paar bomen. Ik zou ze laten zien hoe je kunt slalommen.
Na mijn rondje gemaakt te hebben zag ik wat witte en groene gezichten.
Na zich vermand te hebben, piepend: dat durven wij niet, reden ze in optocht dapper achter me aan.
Ik hield me in.
Alle obstakels waren genomen en men waande zich een hele Piet. In de volgende ronde moedigde ik meneer van Dalen aan alleen een rondje te maken.
Mijn waarschuwende: rustig aan hoor mocht niet baten.
Overmoedig reed hij vol gas weg en door de bocht. Het lichaam zwenkte precies naar die kant waar het niet zijn moest, alle drie de wielen van de vloer en de kar op z'n kant.
Meneer van Dalen werd met lichte schaafwonden onder de kar vandaan getrokken. Geschrokken en bleek werd de oude baas afgevoerd. Daarna heb ik de rest van het gezelschap verteld wat er mis was gegaan en laten zien hoe het wél moest.
Iedereen knikte heftig ja, blij dat ze weer naar binnen mochten want daar stond de koffie klaar.
De rijles is slechts eenmalig geweest.
Moraal van het verhaal: wil ik eens iets doen voor mijn medemens, is het weer niet gelukt.
zie ook: little red rooster
zaterdag 22 september 2007
ons landje
Omdat binnenkort een familielid Abraham gaat zien, was ik in mijn oude muziekboek Kun je nog zingen, zing dan mee -34ste druk uitgegeven in juni 1949- aan het grasduinen.
Piet Hein van de Zilvervloot leek mij een uitermate geschikt lied om te transformeren in een eigentijds op de persoon toegespitste smartlap.
Het album had ik in zeker dertig jaar niet meer ingezien. Al bladerend viel mijn oog op ons landje.
Er is een schamel landje
van water gras en veen
een landje met een randje
van grint en mergelsteen
maar op dat need'rig plekje
bloeit hooge schoonheidszin
geen huisje, ja geen hekje
of schoonheid schuilt erin (bis)
Er is een schamel landje
van regen, wind en mist
waarvan haast ieder zandje
uit zee is opgevischt
maar is dat landje ook arm
toch bloeit de liefde 'r schoon
en klopt het hart er warm
voor vaderland en troon (bis)
Er is een schamel landje
met luchten grijs en grauw
maar hier en daar een bandje
van vreugdenrijker blauw
maar is dat landje ook poover
toch bloeit er moed en trouw
en driemaal wee den roover
die 't landje steelen wou! (bis)

Gemengde gevoelens overvielen mij. Een combinatie van: simpelheid, naïviteit en onschuld. Het jaren vijftig gevoel: rechtschapenheid, grijs- en grauwheid, truttigheid en conservatisme maar ook de nostalgie sprak -vreemd genoeg- een woordje mee.
Ik, die me in de jaren zestig zo had afgezet tegen de gevestigde orde en me verwant voelde met de existentialisten waarbij nadruk op het bestaan, vrijheid en eigen keuze hoog in het vaandel stonden, ervaarde weemoed, heimwee en verlangen?!
Weliswaar niet door het kloppend warme hart voor vaderland en troon maar meer door de soberheid en eenvoud van de tekst. Wat kregen we nu. Tot slot bleven de twee laatste regels van de derde strofe bij me hangen en echoden na: en driemaal wee den roover, die 't landje steelen wou.
Ik plaatste het in het hier en nu.
Wat zijn wij bestolen de laatste vijf decennia: door regering, politiek, de teloorgang van het onderwijs, het grootkapitaal, de zogenaamde vooruitgang, door onvrijheid van meningsuiting (hoewel ze mij nooit de mond zullen snoeren).
Wat moeten we inleveren. Al onze verworven vrijheden en emancipatie worden met voeten getreden. In hoeverre hebben we -collectief gezien- het heft nog in eigen hand.
Piet Hein van de Zilvervloot leek mij een uitermate geschikt lied om te transformeren in een eigentijds op de persoon toegespitste smartlap.
Het album had ik in zeker dertig jaar niet meer ingezien. Al bladerend viel mijn oog op ons landje.
Er is een schamel landje
van water gras en veen
een landje met een randje
van grint en mergelsteen
maar op dat need'rig plekje
bloeit hooge schoonheidszin
geen huisje, ja geen hekje
of schoonheid schuilt erin (bis)
Er is een schamel landje
van regen, wind en mist
waarvan haast ieder zandje
uit zee is opgevischt
maar is dat landje ook arm
toch bloeit de liefde 'r schoon
en klopt het hart er warm
voor vaderland en troon (bis)
Er is een schamel landje
met luchten grijs en grauw
maar hier en daar een bandje
van vreugdenrijker blauw
maar is dat landje ook poover
toch bloeit er moed en trouw
en driemaal wee den roover
die 't landje steelen wou! (bis)

Gemengde gevoelens overvielen mij. Een combinatie van: simpelheid, naïviteit en onschuld. Het jaren vijftig gevoel: rechtschapenheid, grijs- en grauwheid, truttigheid en conservatisme maar ook de nostalgie sprak -vreemd genoeg- een woordje mee.
Ik, die me in de jaren zestig zo had afgezet tegen de gevestigde orde en me verwant voelde met de existentialisten waarbij nadruk op het bestaan, vrijheid en eigen keuze hoog in het vaandel stonden, ervaarde weemoed, heimwee en verlangen?!
Weliswaar niet door het kloppend warme hart voor vaderland en troon maar meer door de soberheid en eenvoud van de tekst. Wat kregen we nu. Tot slot bleven de twee laatste regels van de derde strofe bij me hangen en echoden na: en driemaal wee den roover, die 't landje steelen wou.
Ik plaatste het in het hier en nu.
Wat zijn wij bestolen de laatste vijf decennia: door regering, politiek, de teloorgang van het onderwijs, het grootkapitaal, de zogenaamde vooruitgang, door onvrijheid van meningsuiting (hoewel ze mij nooit de mond zullen snoeren).
Wat moeten we inleveren. Al onze verworven vrijheden en emancipatie worden met voeten getreden. In hoeverre hebben we -collectief gezien- het heft nog in eigen hand.
dinsdag 4 september 2007
zondag 2 september 2007
zaterdag 1 september 2007
de bietebauw
Als kind nam je sprookjes, kinderliedjes en rijmpjes voor lief. Je dacht, voor zover ik me kan herinneren, niet na over de tekst en inhoudelijk ging het min of meer langs je heen.
In de loop der jaren realiseer ik me vaak hoe angstaanjagend een kinderliedje kan zijn:
* Berend Botje die uit varen gaat en nooit weerom komt. * Over het meisje dat loos is en een pak ransel krijgt van de kapitein in de kajuit.
* Op de woelige baren, daar waar het schip op een klip stoot en met man en muis vergaat.
* Het advocaatje dat op reis gaat en in een graatje stikt.
Tot schreiens toe werd ik bewogen als kind wanneer het volgende liedje gezongen werd:
Helder in de kelder boter bij de vis
Kaatje doe de deur eens open en kijk eens wie er is
't Is een arm meisje om een stukje brood
Geef haar maar een hapje want anders gaat ze dood
Dan de sprookjes:
* Roodkapje, zij gaat door het donkere bos naar haar grootmoeder en treft daar de boze wolf in oma's bed aan.
* Sneeuwwitje, celibatair tussen de dwergen levend (!), wordt achtervolgd door een boosaardige stiefmoeder.
* Hans en Grietje die vetgemest worden om daarna als culinair hoogstandje te dienen voor de boze heks.
* Klein Duimpje die met z'n broertjes in het bos wordt achtergelaten om bij een kannibalistische reus als gigantisch feestmaal te fungeren, per abuis eet de reus echter zijn eigen dochters op.
* Assepoester, bespot door een paar jaloerse stiefzusters en als sloof gebruikt, haar plaats is de keuken waar ze de plaat mag poetsen en door stiefmoeder in de dweilhouding wordt gezet.
Moralisme is schering en inslag, chantage aan de orde van de dag. Kinderen de stuipen op het lijf jagen, daar zijn ouderen bedreven in. Nu weet ik dat de bijtjes en bloempjes maar deelaspecten zijn van het leven en dat goed niet bestaat zonder kwaad en andersom. Als ik echter m'n kleinzoon uit Grimm zou voorlezen, ligt mijn keuze bij een niet te wreed sprookje en laat hem graag -zo lang het nog kan- in het goede geloven.
Kinderen lijken eng en gevaarlijk aantrekkelijk te vinden of vult de volwassene dat als zodanig in.
Onderstaand Vlaamse liedje over de bietebauw -Vlaams voor boeman- is mij bijgebleven vanuit mijn jeugd en werd bij ons thuis vroeger gezongen met mij aan de piano.
Als je als kind hier geen nachtmerrie van krijgt...
*** Kleine, kleine stouterik,
zoudt ge moeder tergen?
wacht, ik zal hem roepen, ik,
uit de zwarte bergen.
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw!
de bietebauw!
Hoor hem, met zijn berenkop,
op de deuren bonzen.
Krak! hij kruipt een zolder op,
oei, oei, oei, den onzen!
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw!
de bietebauw!
Recht naar bedde komt hij, boe.
riekt aan de gordijne,
doe maar zeere uw oogjes toe,
of ge ziet de zijne!
Grijp, grijp, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw!
de bietebauw!
Neen, neen, neen! Naar buiten, beest,
om de stoute knapen!
Moeders kind is braaf geweest;
kan zoo schoone slapen.
Douw, douw, kindje douw;
zwicht u voor den bietebauw,
douw-douw-dijn;
en zoete zijn!
*** muziek: Emiel Hullebroeck
tekst: René De Clercq
maandag 23 juli 2007
zondag 15 juli 2007
zaterdag 7 juli 2007
Abonneren op:
Posts (Atom)











