geur van groeiend gras
blik op bloeiende bomen
met hier en daar
een lichtende lucht
maken dit geheel
totaal
(1976)
vrijdag 25 mei 2007
zaterdag 5 mei 2007
i.m. ome Jacob
ZIJ DIE STERVEN GROETEN U 5 mei 2007
Heden -op bevrijdingsdag- is overleden na een korte hevige doch dappere strijd onze vriendelijk fluitende vogel Ome Jacob
Korte biografie:
Op 14 september 2001 tegen zonsondergang zat er een vreemde snuiter dodelijk vermoeid op de vensterbank bij het open raam van de keuken en vroeg asiel aan. De stumper was zo uitgehongerd dat hij het aangeboden brood aanpakte en de sesamzaadjes eraf pulkte. Na enige dagen kwam hij bij.
Ome Jacob heeft hier bijna zes jaar gewoond. Hij zat altijd op de keukenkast die hij zelf had uitgezocht en heeft zich al die jaren gedragen zoals het een gast betaamt: bescheiden en zich aanpassend aan de regels van het huis. Eigenlijk had ik op wat meer uitwisseling gehoopt, een wat affectiever contact maar wat er niet inzit, komt er niet uit. Hij was getraumatiseerd en gefrustreerd.
Ome Jacob was een heertje. Klein en gedrongen en keurig in het blauw bevederde pak met verticaal streepje. Gezien zijn temperament al flink op leeftijd, misschien zelfs hoogbejaard.
Hij was enigszins manisch depressief: een Jacobje lacht, Jacobje huilt.
Hij zong de ene dag het hoogste lied om de volgende dag in treurnis en melancholie te verzinken. Als zijn etensbakje leeg was, vloog hij rondjes door de keuken.
Veertien dagen geleden vond er een metamorfose plaats. Ome Jacob kwam van zijn kast af en ging plotsling uit het voederbakje van grote Jacob eten dat op de vensterbank stond. Voor het eerst at hij van de appel en banaan die hij voorheen versmaadde. Dit alles werd door grote Jacob gedoogd. Een corrigerende zachte pik van de Panamees gaf ome Jacob het signaal niet al te vrijpostig te worden. Jacobje pendelde sindsdien van de vensterbank naar de bodem van zijn kooi en weer terug. Een uiterst merkwaardig gedrag. Op vrijdagavond rondom acht uur -na een heftig scharrelend geluid- was het stil... doodstil...
Ome Jacob
je eigenheid was uniek
jouw gekwetter zullen we node missen
je bent onvergeetlijk
hij is in alle stilte en in kleine familiekring begraven
Heden -op bevrijdingsdag- is overleden na een korte hevige doch dappere strijd onze vriendelijk fluitende vogel Ome Jacob
Korte biografie:
Op 14 september 2001 tegen zonsondergang zat er een vreemde snuiter dodelijk vermoeid op de vensterbank bij het open raam van de keuken en vroeg asiel aan. De stumper was zo uitgehongerd dat hij het aangeboden brood aanpakte en de sesamzaadjes eraf pulkte. Na enige dagen kwam hij bij.
Ome Jacob heeft hier bijna zes jaar gewoond. Hij zat altijd op de keukenkast die hij zelf had uitgezocht en heeft zich al die jaren gedragen zoals het een gast betaamt: bescheiden en zich aanpassend aan de regels van het huis. Eigenlijk had ik op wat meer uitwisseling gehoopt, een wat affectiever contact maar wat er niet inzit, komt er niet uit. Hij was getraumatiseerd en gefrustreerd.
Ome Jacob was een heertje. Klein en gedrongen en keurig in het blauw bevederde pak met verticaal streepje. Gezien zijn temperament al flink op leeftijd, misschien zelfs hoogbejaard.
Hij was enigszins manisch depressief: een Jacobje lacht, Jacobje huilt.
Hij zong de ene dag het hoogste lied om de volgende dag in treurnis en melancholie te verzinken. Als zijn etensbakje leeg was, vloog hij rondjes door de keuken.
Veertien dagen geleden vond er een metamorfose plaats. Ome Jacob kwam van zijn kast af en ging plotsling uit het voederbakje van grote Jacob eten dat op de vensterbank stond. Voor het eerst at hij van de appel en banaan die hij voorheen versmaadde. Dit alles werd door grote Jacob gedoogd. Een corrigerende zachte pik van de Panamees gaf ome Jacob het signaal niet al te vrijpostig te worden. Jacobje pendelde sindsdien van de vensterbank naar de bodem van zijn kooi en weer terug. Een uiterst merkwaardig gedrag. Op vrijdagavond rondom acht uur -na een heftig scharrelend geluid- was het stil... doodstil...
Ome Jacob
je eigenheid was uniek
jouw gekwetter zullen we node missen
je bent onvergeetlijk
hij is in alle stilte en in kleine familiekring begraven
vrijdag 23 februari 2007
zaterdag 17 februari 2007
zondag 11 februari 2007
triviaal
met de kracht der keizer
de macht der mijter
neemt hij zijn staf in de hand
hij laat een wind
een stinkende walmende wolk stijgt op
een nevel van wel en wee
en in een zee van vree
doet zij wasemend de was
zij poetst
zij stoft
zij naait
zij kookt
thuis, achter het fornuis
thuis, bij de buis
met veel geraas en weinig geruis
dartel en dekadent
keurig en kuis
kust zij het kruis
wij leven en lijden
de snelle slagen van ons hart
verraden ons geheim
verstild een storm
woedend in onz' ingewanden
razend in je donder
bezeten in je hoofd
lachend en zwetend
begerig ruikend en proevend
ziet zij een man
die man ziet een vrouw
ze zien elkaar zitten
of liggen
houden elkander vast
of laten elkaar vallen
of hangen zich aan elkaar op
verbinden zich
en ontbinden dan weer
een bescheten volk
van hoop en wanhoop
van geloof en ongeloof
van vertrouwen en wantrouwen
van waarheid en onwaarachtigheid
op deze aard
waar illusie in rook opgaat
waar een zon in het water schijnt
waar een lichtende lucht
een nieuw leven leidt
waar een duisternis der nacht
plaats maakt voor een nieuwe dag
ja daar...
ja daar...
voel ik
dat mijn hart klopt
mijn adem haalt
mijn bloed stroomt
mijn stof wisselt
(1976)
de macht der mijter
neemt hij zijn staf in de hand
hij laat een wind
een stinkende walmende wolk stijgt op
een nevel van wel en wee
en in een zee van vree
doet zij wasemend de was
zij poetst
zij stoft
zij naait
zij kookt
thuis, achter het fornuis
thuis, bij de buis
met veel geraas en weinig geruis
dartel en dekadent
keurig en kuis
kust zij het kruis
wij leven en lijden
de snelle slagen van ons hart
verraden ons geheim
verstild een storm
woedend in onz' ingewanden
razend in je donder
bezeten in je hoofd
lachend en zwetend
begerig ruikend en proevend
ziet zij een man
die man ziet een vrouw
ze zien elkaar zitten
of liggen
houden elkander vast
of laten elkaar vallen
of hangen zich aan elkaar op
verbinden zich
en ontbinden dan weer
een bescheten volk
van hoop en wanhoop
van geloof en ongeloof
van vertrouwen en wantrouwen
van waarheid en onwaarachtigheid
op deze aard
waar illusie in rook opgaat
waar een zon in het water schijnt
waar een lichtende lucht
een nieuw leven leidt
waar een duisternis der nacht
plaats maakt voor een nieuwe dag
ja daar...
ja daar...
voel ik
dat mijn hart klopt
mijn adem haalt
mijn bloed stroomt
mijn stof wisselt
(1976)
vrijdag 9 februari 2007
de zaterdagkrant
Op zaterdag koop ik altijd, speciaal voor de crypto, het Parool.
Er kan een gevoel van ultiem genoegen door mij heen stromen als ik zoals gewoonlijk het cijfer tien heb gehaald. Dat betekent namelijk geen fouten en alles opgelost. Zo'n crypto werkt verslavend en obsessief. Uren turen naar verborgen inhouden.
Alle mogelijke om- en beschrijvingen bestormen mijn brein om doorgaans niet-chronologisch tot het gevonden woord te komen. Zo'n crypto jaagt me soms bijzonder op kosten en wel te verstaan: de telefoon. Als ik er echt niet meer uitkom bel ik eerst mijn vrienden en kennissen. Ik zal en moet oplossen, versmelten, syncretiseren in een amalgaan van goud en zilver waarbij de cryptogrammer een bijna alchemistische daad verricht en daardoor een diepere synthese bereikt door opvattingen, meningen, gedachten, waardeoordelen en dergelijke te keuren in een smeltkroes van ellende.
Vandaar dat ik een wandaad bega door, tot het uiterste gedreven, de naam van de winnaar van de vorige crypto op te zoeken in het telefoonboek als ik nog niet het beoogde resultaat heb bereikt. Na me onmiddellijk te hebben aangemeld als: zwaar gefrustreerde crypto-oplosser die net de laatste twee of drie woorden niet kan vinden. Pure radeloosheid, bijna tot zelfmoord gedreven.
Een echte cryptogrammer herkent dit probleem en hij zal je die vrijpostigheid en inbreuk op zijn privacy niet euvel duiden. Bovendien zal hij niet bijzonder onder de indruk van deze stalkers-neiging zijn. Sterker nog: hij zou het zelf ook gedaan hebben, hoor ik dan vaak zeggen.
Vandaag is mijn zaterdag verpest. De crypto staat niet in die kut krant. De zoveelste blunder van het Parool: misdrukken, zet- schrijf- taalfouten. Een grote ergernis.
De rest van de krant gebruik ik als w.c.papier. Ik veeg er mijn reet mee af.
Er kan een gevoel van ultiem genoegen door mij heen stromen als ik zoals gewoonlijk het cijfer tien heb gehaald. Dat betekent namelijk geen fouten en alles opgelost. Zo'n crypto werkt verslavend en obsessief. Uren turen naar verborgen inhouden.
Alle mogelijke om- en beschrijvingen bestormen mijn brein om doorgaans niet-chronologisch tot het gevonden woord te komen. Zo'n crypto jaagt me soms bijzonder op kosten en wel te verstaan: de telefoon. Als ik er echt niet meer uitkom bel ik eerst mijn vrienden en kennissen. Ik zal en moet oplossen, versmelten, syncretiseren in een amalgaan van goud en zilver waarbij de cryptogrammer een bijna alchemistische daad verricht en daardoor een diepere synthese bereikt door opvattingen, meningen, gedachten, waardeoordelen en dergelijke te keuren in een smeltkroes van ellende.
Vandaar dat ik een wandaad bega door, tot het uiterste gedreven, de naam van de winnaar van de vorige crypto op te zoeken in het telefoonboek als ik nog niet het beoogde resultaat heb bereikt. Na me onmiddellijk te hebben aangemeld als: zwaar gefrustreerde crypto-oplosser die net de laatste twee of drie woorden niet kan vinden. Pure radeloosheid, bijna tot zelfmoord gedreven.
Een echte cryptogrammer herkent dit probleem en hij zal je die vrijpostigheid en inbreuk op zijn privacy niet euvel duiden. Bovendien zal hij niet bijzonder onder de indruk van deze stalkers-neiging zijn. Sterker nog: hij zou het zelf ook gedaan hebben, hoor ik dan vaak zeggen.
Vandaag is mijn zaterdag verpest. De crypto staat niet in die kut krant. De zoveelste blunder van het Parool: misdrukken, zet- schrijf- taalfouten. Een grote ergernis.
De rest van de krant gebruik ik als w.c.papier. Ik veeg er mijn reet mee af.
vrijdag 1 december 2006
mijn moeders dood
Komen de zorgen, komen de plagen, hoorde ik mijn optimistische moeder altijd zeggen.
Toen ik de leeftijd van eenentwintig had bereikt, stierf ze aan leukemie. Wat ik daar zo erg aan heb gevonden, is dat ik haar ziekte, pijn en sterven nooit met haar heb kunnen delen. Sterker nog, ze wist niet eens dat ze sterven ging, althans, daar spraken we niet over in die tijd.
Iedereen wist het behalve zij.
Na ieder bloedonderzoek en bezoek aan haar specialist kreeg ze te horen: Mevrouw uw bloed is in orde.
De lymfeklieren in haar nek en onder haar oksels waren opgezet. De gezwellen groeiden met de dag en mijn moeder maar denken dat er niets aan de hand was. Ze werd bestraald en je zag haar van week tot week aftakelen.
Wat ging men in die tijd daar toch hypocriet mee om. De witjassen zwegen in alle talen. We voelden en wisten dat het niet goed was met haar totdat mijn oudste broer en ik naar haar specialist gingen en we hem zowat het mes op de strot zetten. Uiteindelijk werden we ingelicht over de ernst van de ziekte en het kwaadaardige verloop.
Mijn vader was ziende blind en wilde niet wijzer worden dan hij al was. Bovendien zat hij met een zwaar zelfbeklag van: mijn vrouw is ziek arme ik.
Hij moest beschermd worden, vonden we toen, dus ik vertelde hem niets.
Mijn lieve moeder die altijd een houding heeft gehad van flink zijn en niet zeuren heb ik op het laatst van haar leven als een klein vogeltje met vertwijfelende blik in dat grote ziekenhuisbed zien liggen.
Dat zijn mijn laatste herinneringen aan haar. Ik heb nooit geweten hoe haar innerlijke beleving is geweest. Nooit geweten wat ze voelde of hoe ze met leven en dood omging. Nooit heb ik hier een antwoord op gekregen. Nooit zal ik het te weten komen.
Ze is overleden en ik mag hopen in vrede.
Haar lijden was over.
29 januari 1967
Toen ik de leeftijd van eenentwintig had bereikt, stierf ze aan leukemie. Wat ik daar zo erg aan heb gevonden, is dat ik haar ziekte, pijn en sterven nooit met haar heb kunnen delen. Sterker nog, ze wist niet eens dat ze sterven ging, althans, daar spraken we niet over in die tijd.
Iedereen wist het behalve zij.
Na ieder bloedonderzoek en bezoek aan haar specialist kreeg ze te horen: Mevrouw uw bloed is in orde.
De lymfeklieren in haar nek en onder haar oksels waren opgezet. De gezwellen groeiden met de dag en mijn moeder maar denken dat er niets aan de hand was. Ze werd bestraald en je zag haar van week tot week aftakelen.
Wat ging men in die tijd daar toch hypocriet mee om. De witjassen zwegen in alle talen. We voelden en wisten dat het niet goed was met haar totdat mijn oudste broer en ik naar haar specialist gingen en we hem zowat het mes op de strot zetten. Uiteindelijk werden we ingelicht over de ernst van de ziekte en het kwaadaardige verloop.
Mijn vader was ziende blind en wilde niet wijzer worden dan hij al was. Bovendien zat hij met een zwaar zelfbeklag van: mijn vrouw is ziek arme ik.
Hij moest beschermd worden, vonden we toen, dus ik vertelde hem niets.
Mijn lieve moeder die altijd een houding heeft gehad van flink zijn en niet zeuren heb ik op het laatst van haar leven als een klein vogeltje met vertwijfelende blik in dat grote ziekenhuisbed zien liggen.
Dat zijn mijn laatste herinneringen aan haar. Ik heb nooit geweten hoe haar innerlijke beleving is geweest. Nooit geweten wat ze voelde of hoe ze met leven en dood omging. Nooit heb ik hier een antwoord op gekregen. Nooit zal ik het te weten komen.
Ze is overleden en ik mag hopen in vrede.
Haar lijden was over.
29 januari 1967
zaterdag 25 november 2006
dinsdag 10 oktober 2006
hoeveel globalisering verdraagt de mens
van de cover:
De mens, meent Rüdiger Safranski, is een wezen dat over zichzelf kan nadenken. Dat onderscheidt hem van de dieren. Toch blijft de mens ook dierlijk. Die tweezijdigheid maakt hem, zoals Nietzsche zei, tot 'een onbepaald dier'- een wezen dat nog niet helemaal af is, maar dat zijn onvoltooidheid met handigheden en intellect weet te compenseren. Techniek en wetenschap stellen ons in staat ons van onze 'eerste' natuur los te maken en die te beheersen.
Die vaardigheid is tegelijk ons probleem. Want in hoeverre kunnen we ons in onze tweede natuur - de cultuur - van de eerste losmaken? Leidt de poging tot opheffing van de eerste natuur niet automatisch tot de vernietiging van de tweede? Kijk naar het probleem van de wapenwedloop. Onze emoties, dus ook agressie en angst, horen tot de eerste natuur. Onze middelen die te beheersen, tot de tweede. Maar intussen hebben we de middelen zo ver ontwikkeld dat ze niet alleen aan onze eerste, maar ook aan onze tweede natuur een eind dreigen te maken. Hetzelfde geldt voor globalisering. Het onbehagen daarover stamt al uit de negentiende eeuw, en neemt steeds grotere vormen aan. In Hoeveel globalisering kan een mens verdragen gaat Rüdiger Safranski met behulp van de traditionele filosofie op zoek naar de grenzen van de globalisering.
De cursieve passages zijn fragmenten uit het boek van Rüdiger Safranski: Hoeveel globalisering verdraagt de mens?
Mijn commentaar rood getypt heb ik als punten ter discussie genoemd op de filosofische avonden bij Theo de Mare.
***
Geschiedenis zou moeten ophouden een noodlot te zijn.
Leven we in een utopia? Adam en Eva werden immers reeds verdreven uit hun paradijs.
Nietzsches droom over de globale oecumene –illusie- versus de mensheid in de vorm van een dramatische geschiedenis van vijandschap –werkelijkheid-
Het toekennen van een rede aan de mens, die in zekere zin a priori naar consensus streeft.
Voor de consensus –overeenstemming van gevoel- gaan twee vooraf: de persensus –het verlengen van het gevoel- De transsensus –het doorvoelen-.
Deze drie -affectieve- waarnemingen zijn onvermijdelijk met elkaar verbonden.
M.n. via consensus zouden de "vijandige energieën, de uitsluitingsmechanismen in het hart van de universalistische concepten bloot kunnen leggen". Helaas schijnt eenheid niet mogelijk te zijn. Ook bij het opheffen van de grenzen wordt de tegenstelling alleen maar groter. OVERAL gaan vijandige energieën schuil.
VOORAL onder de naam van God.
Een afgrenzende god, geen god van de hele soort. En zo raakte hij steeds bij de conflicten tussen hordes, stammen en naties betrokken...
De God van het O.T: hij sluit een bondgenootschap met zijn volk tegen de rest v.d. wereld.
Ziet hier: Exodus, dood, verderf en alweer verdeeldheid. Te vuur en te zwaard wordt de ander bestreden. Om een idee, een beeld, een obsessie, een: wie niet voor mij is is tegen mij!
De mens als bewust wezen heeft zijn geborgenheid in het hier en nu verloren.
Begint het niet reeds bij de geboorte. Het hechtgedrag: een veilig huis, een liefdevolle ouder, koestering. Zorg en basiszekerheid. Geven wat een nieuw leven toekomt.
Als men dit alles ontbeert en de wortels reeds op jeugdige leeftijd ontworteld blijken te zijn, kun je het lijk al zien drijven. Naast deze dreiging voor de pasgeborene, het vervolgens opgelopen trauma, ligt de toekomstige dreiging alweer op de loer. Hoe kun je zorg dragen voor de toekomst, als jou zelf de zorg is ontbeerd. De dreigende gevaren. Je kwetsbaarheid. Eten of gegeten worden. Strijd om de macht.
Zo binnen zo buiten, zo klein zo groot... De machtsmonopolie van de staat.
De armoede lijdt, zij vecht niet. Alleen de gekwetste eer of het verlangen naar roem en erkenning bindt de strijd aan. Voor de "menselijke waardigheid" wordt niet alleen vrede gesticht, maar ook oorlog gevoerd. Zo is ervoor gezorgd dat concurrentie, strijd, oorlog en vijandschap niet ophouden.
Zo blijven bloedwraak, manipulatie, onderdrukking en overheersing voortbestaan. Zo is het gras bij de ander altijd groener.
De maatschappij valt uiteen in de anarchie van geweld. De strijd om onderscheid en erkenning wordt naar buiten toe verlegd, naar de grens van de maatschappij, waar de wereld van de vreemden begint, die dan tot vijanden worden verklaard.
En vice versa!
In de stoffelijke werkelijkheid grenzen de mensen aan elkaar, ze stuiten op elkaar in de ruimte, onderscheiden zich en gaan uiteen. Hoe kun je de ander vertrouwen als het al zo moeilijk is jezelf te vertrouwen? Hoe kun je met de ander tot een vergelijk komen als dat met jezelf nauwelijks lukt? Hoe moet je het met vreemdelingen uithouden als je het nauwelijks met jezelf uithoudt?
De overeenkomsten en herkenbaarheden tussen mensen zijn groot en bekend: we hebben allemaal een neus, twee ogen en een mond etc. We weten allemaal wat emoties zijn, maar... de verschillen zijn veel en veel groter.
Vrede in eigen huis bewaren is al een hele klus. Dan volgt je geliefde, je gezin, je familie, je buren, je vrienden, kennissen. Het verschil van mentaliteit tussen stedelingen en dorpelingen is al groot. Boven en onder de grote rivieren. Binnen en buitenland. Oosten en westen. Europeaan en niet-europeaan. Het verschil van kleur, van klimaat. Kortom: de culturele verschillen en godsdiensten. –lees: fundamentalisme-
Zolang de stelling blijft gehandhaafd: wie niet voor mij is is tegen mij, is er van samenzijn of harmonie nooit en te nimmer sprake en is wezenlijke vrijheid ver te zoeken. Ik ben geen nihilist, maar na het lezen van dit hoofdstuk valt één en ander nog eens te bezien.
Rüdiger Safranski
Hoeveel globalisering verdraagt de mens
uitgeverij Atlas
De mens, meent Rüdiger Safranski, is een wezen dat over zichzelf kan nadenken. Dat onderscheidt hem van de dieren. Toch blijft de mens ook dierlijk. Die tweezijdigheid maakt hem, zoals Nietzsche zei, tot 'een onbepaald dier'- een wezen dat nog niet helemaal af is, maar dat zijn onvoltooidheid met handigheden en intellect weet te compenseren. Techniek en wetenschap stellen ons in staat ons van onze 'eerste' natuur los te maken en die te beheersen.
Die vaardigheid is tegelijk ons probleem. Want in hoeverre kunnen we ons in onze tweede natuur - de cultuur - van de eerste losmaken? Leidt de poging tot opheffing van de eerste natuur niet automatisch tot de vernietiging van de tweede? Kijk naar het probleem van de wapenwedloop. Onze emoties, dus ook agressie en angst, horen tot de eerste natuur. Onze middelen die te beheersen, tot de tweede. Maar intussen hebben we de middelen zo ver ontwikkeld dat ze niet alleen aan onze eerste, maar ook aan onze tweede natuur een eind dreigen te maken. Hetzelfde geldt voor globalisering. Het onbehagen daarover stamt al uit de negentiende eeuw, en neemt steeds grotere vormen aan. In Hoeveel globalisering kan een mens verdragen gaat Rüdiger Safranski met behulp van de traditionele filosofie op zoek naar de grenzen van de globalisering.
De cursieve passages zijn fragmenten uit het boek van Rüdiger Safranski: Hoeveel globalisering verdraagt de mens?
Mijn commentaar rood getypt heb ik als punten ter discussie genoemd op de filosofische avonden bij Theo de Mare.
***
Geschiedenis zou moeten ophouden een noodlot te zijn.
Leven we in een utopia? Adam en Eva werden immers reeds verdreven uit hun paradijs.
Nietzsches droom over de globale oecumene –illusie- versus de mensheid in de vorm van een dramatische geschiedenis van vijandschap –werkelijkheid-
Het toekennen van een rede aan de mens, die in zekere zin a priori naar consensus streeft.
Voor de consensus –overeenstemming van gevoel- gaan twee vooraf: de persensus –het verlengen van het gevoel- De transsensus –het doorvoelen-.
Deze drie -affectieve- waarnemingen zijn onvermijdelijk met elkaar verbonden.
M.n. via consensus zouden de "vijandige energieën, de uitsluitingsmechanismen in het hart van de universalistische concepten bloot kunnen leggen". Helaas schijnt eenheid niet mogelijk te zijn. Ook bij het opheffen van de grenzen wordt de tegenstelling alleen maar groter. OVERAL gaan vijandige energieën schuil.
VOORAL onder de naam van God.
Een afgrenzende god, geen god van de hele soort. En zo raakte hij steeds bij de conflicten tussen hordes, stammen en naties betrokken...
De God van het O.T: hij sluit een bondgenootschap met zijn volk tegen de rest v.d. wereld.
Ziet hier: Exodus, dood, verderf en alweer verdeeldheid. Te vuur en te zwaard wordt de ander bestreden. Om een idee, een beeld, een obsessie, een: wie niet voor mij is is tegen mij!
De mens als bewust wezen heeft zijn geborgenheid in het hier en nu verloren.
Begint het niet reeds bij de geboorte. Het hechtgedrag: een veilig huis, een liefdevolle ouder, koestering. Zorg en basiszekerheid. Geven wat een nieuw leven toekomt.
Als men dit alles ontbeert en de wortels reeds op jeugdige leeftijd ontworteld blijken te zijn, kun je het lijk al zien drijven. Naast deze dreiging voor de pasgeborene, het vervolgens opgelopen trauma, ligt de toekomstige dreiging alweer op de loer. Hoe kun je zorg dragen voor de toekomst, als jou zelf de zorg is ontbeerd. De dreigende gevaren. Je kwetsbaarheid. Eten of gegeten worden. Strijd om de macht.
Zo binnen zo buiten, zo klein zo groot... De machtsmonopolie van de staat.
De armoede lijdt, zij vecht niet. Alleen de gekwetste eer of het verlangen naar roem en erkenning bindt de strijd aan. Voor de "menselijke waardigheid" wordt niet alleen vrede gesticht, maar ook oorlog gevoerd. Zo is ervoor gezorgd dat concurrentie, strijd, oorlog en vijandschap niet ophouden.
Zo blijven bloedwraak, manipulatie, onderdrukking en overheersing voortbestaan. Zo is het gras bij de ander altijd groener.
De maatschappij valt uiteen in de anarchie van geweld. De strijd om onderscheid en erkenning wordt naar buiten toe verlegd, naar de grens van de maatschappij, waar de wereld van de vreemden begint, die dan tot vijanden worden verklaard.
En vice versa!
In de stoffelijke werkelijkheid grenzen de mensen aan elkaar, ze stuiten op elkaar in de ruimte, onderscheiden zich en gaan uiteen. Hoe kun je de ander vertrouwen als het al zo moeilijk is jezelf te vertrouwen? Hoe kun je met de ander tot een vergelijk komen als dat met jezelf nauwelijks lukt? Hoe moet je het met vreemdelingen uithouden als je het nauwelijks met jezelf uithoudt?
De overeenkomsten en herkenbaarheden tussen mensen zijn groot en bekend: we hebben allemaal een neus, twee ogen en een mond etc. We weten allemaal wat emoties zijn, maar... de verschillen zijn veel en veel groter.
Vrede in eigen huis bewaren is al een hele klus. Dan volgt je geliefde, je gezin, je familie, je buren, je vrienden, kennissen. Het verschil van mentaliteit tussen stedelingen en dorpelingen is al groot. Boven en onder de grote rivieren. Binnen en buitenland. Oosten en westen. Europeaan en niet-europeaan. Het verschil van kleur, van klimaat. Kortom: de culturele verschillen en godsdiensten. –lees: fundamentalisme-
Zolang de stelling blijft gehandhaafd: wie niet voor mij is is tegen mij, is er van samenzijn of harmonie nooit en te nimmer sprake en is wezenlijke vrijheid ver te zoeken. Ik ben geen nihilist, maar na het lezen van dit hoofdstuk valt één en ander nog eens te bezien.
Rüdiger Safranski
Hoeveel globalisering verdraagt de mens
uitgeverij Atlas
maandag 2 oktober 2006
zelf
Een mengeling van mogelijkheden stroomde de afgelopen week binnen. Ik leed weer eens aan mijn vele dilemma’s want wat ik ook de revue liet passeren; ze kwamen en gingen. Om maar enige thema’s te noemen: scepsis, cynisme, dilemma’s, agnosticisme, zelfspot...
Bij zelfspot aangekomen ging de rem van mijn associatief vermogen los: zelfverloochening, zelfbehagen, zelfzucht, zelfbehoud, zelfbesef, zelfvertrouwen, zelfbespiegeling, zelfvoldoening, zelfbewust, zelfvernietiging, zelfkant, zelfbeschikking, zelfverheffing, zelfkant, zelfbeklag, zelfkennis, zelfkritiek, zelfdoding, zelfoverschatting, zelfstandigheid, zelfverwijt, zelfbeheersing, zelfverzekerd, zelfbeeld, zelfbeschouwing, zelfexpressie, zelfbezinning... Mij dunkt, alles even interessant.
Toen kwam ik simpelweg uit bij het ZELF. Letterlijk: de eigen persoon of het eigen wezen.
Na wat naslagwerk kwam ik in van Anima tot Zeus een prachtige passage over het ZELF tegen. Ik zou het met mijn eigen woorden niet mooier kunnen vertellen.
Het zelf is een intuïtief concept, een grensbegrip dat als hulpstructuur functioneert om alle psychische verschijnselen in een concept onder te brengen. Het bewustzijn, het ego, wordt niet beschouwd als het centrum van de gehele psyche. Een groot deel van de psyche is aanwezig in het onbewuste. Er is daarom een samenhangend concept nodig dat zowel de bewuste als de onbewuste verschijnselen omvat. Het zelf omvat zowel het centrum van de psyche als de gehele psyche. Het zorgt voor het behoud van de identiteit door alle fasen van het leven heen. Het zelf is het archetype met de grootste curiositeit. Het is autonoom ten opzichte van het bewustzijn. Het is het centrale archetype, het archetype van de totaliteit, de heelheid van de mens. Het is het meest actief in het religieuze symbolische leven.
Het zelf is het integratieve centrum van de gehele psyche, dus zowel van het bewuste deel, dat door het ik wordt gereguleerd, als van het onbewuste deel van de psyche. Het vormt daarom als het ware de eigenlijke persoonlijkheid die iemand is. Het ik is in de loop van de bewustzijnsontwikkeling uit het zelf ontstaan. De krachten van het ik botsen later tegen de krachten van het zelf.
Het ik neigt tot handhaving van de statusquo en de gegeven persoonlijkheid. Het zelf is geneigd tot dynamiek, verandering en herbeoordeling van de bestaande toestand.
Het ik beheert niet de gehele psyche. Dat doet het zelf. Dit is een grootheid die boven het bewuste ik staat en die functioneert in de dimensies ruimte en tijd. Over het zelf, dat niet gebonden is aan de dimensies ruimte en tijd, heeft het ik geen zeggenschap door middel van de wil.
In het onbewuste bestaan naast ontbindende neigingen ook integrerende, opbouwende neigingen, die afkomstig zijn van dit regulerende centrum, het zelf. (creativiteit) Dit zelf is niet alleen het integratieve middelpunt maar bepaalt ook de totale omvang van het bewustzijn en van het onbewuste.
Het zelf als centrale autoriteit bepaalt de doelgerichtheid van het persoonlijk leven. Het ervaren van een functionerende ego-zelf-as brengt de zinvolheid van het leven in het bewustzijn. Het zelf is het archetype dat de mens als gids door het leven naar zijn bestemming leidt. De termen levensinstinct en persoonlijk daimon worden in dit verband ook gebruikt.
Het zelf treedt in onbewuste fantasieën op als hogere of ideale persoonlijkheid, zoals Zarathoestra bij Nietzsche. De archaïsche trekken van het zelf worden in symbolen wel van het ‘hogere’ zelf gescheiden weergegeven, bijv. Als Mephisto naast Faust. Empirisch heeft het zelf een goede, lichte zijde en een kwade, donkere schaduwkant.
Het zelf is de bron van dromen, waardoor het ik communiceert. Psychisch vindt tijdens een droom, visioen, extatische toestand of religieuze beleving de eerste ontmoeting met het zelf plaats, met negatieve ervaringen als angst en afschrikwekkende verwarring. Deze ervaringen zijn kenmerkend voor een onvoorbereid samentreffen met het onbewuste.
De symbolen waarin het zelf wordt uitgebeeld, zijn zodanig dat daarin de vereniging van de donkere en lichte aspecten van de psyche tot uitdrukking komen. Erotische symbolen drukken ongerealiseerd religieus zoeken uit, een vereniging met het zelf. Religieuze symbolen die betrekking hebben op de godheid komen frequent voor.
Bij zelfspot aangekomen ging de rem van mijn associatief vermogen los: zelfverloochening, zelfbehagen, zelfzucht, zelfbehoud, zelfbesef, zelfvertrouwen, zelfbespiegeling, zelfvoldoening, zelfbewust, zelfvernietiging, zelfkant, zelfbeschikking, zelfverheffing, zelfkant, zelfbeklag, zelfkennis, zelfkritiek, zelfdoding, zelfoverschatting, zelfstandigheid, zelfverwijt, zelfbeheersing, zelfverzekerd, zelfbeeld, zelfbeschouwing, zelfexpressie, zelfbezinning... Mij dunkt, alles even interessant.
Toen kwam ik simpelweg uit bij het ZELF. Letterlijk: de eigen persoon of het eigen wezen.
Na wat naslagwerk kwam ik in van Anima tot Zeus een prachtige passage over het ZELF tegen. Ik zou het met mijn eigen woorden niet mooier kunnen vertellen.
Het zelf is een intuïtief concept, een grensbegrip dat als hulpstructuur functioneert om alle psychische verschijnselen in een concept onder te brengen. Het bewustzijn, het ego, wordt niet beschouwd als het centrum van de gehele psyche. Een groot deel van de psyche is aanwezig in het onbewuste. Er is daarom een samenhangend concept nodig dat zowel de bewuste als de onbewuste verschijnselen omvat. Het zelf omvat zowel het centrum van de psyche als de gehele psyche. Het zorgt voor het behoud van de identiteit door alle fasen van het leven heen. Het zelf is het archetype met de grootste curiositeit. Het is autonoom ten opzichte van het bewustzijn. Het is het centrale archetype, het archetype van de totaliteit, de heelheid van de mens. Het is het meest actief in het religieuze symbolische leven.
Het zelf is het integratieve centrum van de gehele psyche, dus zowel van het bewuste deel, dat door het ik wordt gereguleerd, als van het onbewuste deel van de psyche. Het vormt daarom als het ware de eigenlijke persoonlijkheid die iemand is. Het ik is in de loop van de bewustzijnsontwikkeling uit het zelf ontstaan. De krachten van het ik botsen later tegen de krachten van het zelf.
Het ik neigt tot handhaving van de statusquo en de gegeven persoonlijkheid. Het zelf is geneigd tot dynamiek, verandering en herbeoordeling van de bestaande toestand.
Het ik beheert niet de gehele psyche. Dat doet het zelf. Dit is een grootheid die boven het bewuste ik staat en die functioneert in de dimensies ruimte en tijd. Over het zelf, dat niet gebonden is aan de dimensies ruimte en tijd, heeft het ik geen zeggenschap door middel van de wil.
In het onbewuste bestaan naast ontbindende neigingen ook integrerende, opbouwende neigingen, die afkomstig zijn van dit regulerende centrum, het zelf. (creativiteit) Dit zelf is niet alleen het integratieve middelpunt maar bepaalt ook de totale omvang van het bewustzijn en van het onbewuste.
Het zelf als centrale autoriteit bepaalt de doelgerichtheid van het persoonlijk leven. Het ervaren van een functionerende ego-zelf-as brengt de zinvolheid van het leven in het bewustzijn. Het zelf is het archetype dat de mens als gids door het leven naar zijn bestemming leidt. De termen levensinstinct en persoonlijk daimon worden in dit verband ook gebruikt.
Het zelf treedt in onbewuste fantasieën op als hogere of ideale persoonlijkheid, zoals Zarathoestra bij Nietzsche. De archaïsche trekken van het zelf worden in symbolen wel van het ‘hogere’ zelf gescheiden weergegeven, bijv. Als Mephisto naast Faust. Empirisch heeft het zelf een goede, lichte zijde en een kwade, donkere schaduwkant.
Het zelf is de bron van dromen, waardoor het ik communiceert. Psychisch vindt tijdens een droom, visioen, extatische toestand of religieuze beleving de eerste ontmoeting met het zelf plaats, met negatieve ervaringen als angst en afschrikwekkende verwarring. Deze ervaringen zijn kenmerkend voor een onvoorbereid samentreffen met het onbewuste.
De symbolen waarin het zelf wordt uitgebeeld, zijn zodanig dat daarin de vereniging van de donkere en lichte aspecten van de psyche tot uitdrukking komen. Erotische symbolen drukken ongerealiseerd religieus zoeken uit, een vereniging met het zelf. Religieuze symbolen die betrekking hebben op de godheid komen frequent voor.
vrijdag 30 juni 2006
mijn vaders dood
Confrontatie met de dood is iedere keer weer een fascinerend en schokkend proces. Ik herinner me nog als de dag van gisteren het overlijden van mijn vader. Hij was bijna achtenzeventig en had twee beroertes gehad waardoor hij halfzijdig verlamd was maar geestelijk goed bij de tijd. Na revalidatie in Zonnestraal te Hilversum, waar ik hem regelmatig in zijn invalidenwagentje rondreed, was er een plaatsje voor hem in een verpleegtehuis tussen de dementen. Verschrikkelijk vond hij dat. Ik ook en ik zag hem in verval en aftakeling wegkwijnen. Ook hij was het liefst in zijn eigen huis gestorven en zag dat zijn levenslange schrikbeeld, het bejaardentehuis, nee nog erger bewaarheid werd.
Hij lag al in coma en ik was naast hem op bed gaan liggen die nacht. Praten kon hij niet meer, alles was al gezegd. Ik heb altijd gehoopt dat hij mijn nonverbale aanwezigheid gevoeld zal hebben. Hij stierf vroeg in de ochtend.
Op zijn rouwcirculaire zette ik de volgende woorden:
de overgave tot het eeuwig leven was een grote strijd
nu, moe van leven en verlost van lijden
kan hij zich koesteren in de schoot der eeuwigheid
Bij de begrafenis had ik de volgende afscheidswoorden gesproken:
vader,
mijn scheppende kracht
mijn veilige haven niet meer hier
overgegaan als bloemen in hun zaad
uw creatief wezen altijd in mij verankerd
nu kunt u rusten in eeuwigheid
en in eeuwigheid ontmoeten we elkaar
zo zijn en blijven wij verbonden
maart 1980
Hij lag al in coma en ik was naast hem op bed gaan liggen die nacht. Praten kon hij niet meer, alles was al gezegd. Ik heb altijd gehoopt dat hij mijn nonverbale aanwezigheid gevoeld zal hebben. Hij stierf vroeg in de ochtend.
Op zijn rouwcirculaire zette ik de volgende woorden:
de overgave tot het eeuwig leven was een grote strijd
nu, moe van leven en verlost van lijden
kan hij zich koesteren in de schoot der eeuwigheid
Bij de begrafenis had ik de volgende afscheidswoorden gesproken:
vader,
mijn scheppende kracht
mijn veilige haven niet meer hier
overgegaan als bloemen in hun zaad
uw creatief wezen altijd in mij verankerd
nu kunt u rusten in eeuwigheid
en in eeuwigheid ontmoeten we elkaar
zo zijn en blijven wij verbonden
maart 1980
vrijdag 9 juni 2006
papegaaienspeelgoed
Goed bedoeld en denkende dat Jacob hiermee in zijn knollentuin zou zijn, was het tegendeel de werkelijkheid. Hij was er bang voor. Als de dood. Angstig deinsde hij terug bij het verschijnen van dit papegaaienspeelgoed. De held.
Er was ook een gebruiksaanwijzing bij en een waarschuwing.
Ik citeer: Vogelspeelgoed niet geschikt voor kinderen. Let er op dat uw vogel, terwijl hij speelt, geen deeltjes van het speelgoed afbijt en opeet. Gebruik het speelgoed niet meer als het beschadigd ís.
Mijn bek viel open van verbazing. Hoezo, niet meer gebruiken als het beschadigd is? En dan te bedenken dat Jacob in enkele minuten een boomtak bewerkt waarbij splinters en spaanders afvliegen en de rest versnippert tot er bijna niets meer overblijft. Of een kippenboutje sloopt, het merg eruit peuzelt waarna er slechts nog wat pulver resteert.
Hoezo moet je dan opletten dat de vogel geen deeltjes van het speelgoed afbijt. Waar dient het dan voor? Om te spelen toch, dat betekent: rossen en reupen.
De vogel kan niet weten dat hij keurig de trapeze moet beklimmen of een rondje draaien in de carrousel.
Gek is hij op een stuk touw dat finaal wordt uitgeplozen of het scheuren van een krant. Fanatiek zie je hem daarmee aan de gang. Beuken en vernielen, dat is de boodschap.
Ik was blij dat Jacob niet instemde met zijn goed bedoelde cadeau. Anders was hij blij gemaakt met een dooie mus, omdat hij na één knauw zijn speelgoed had moeten afstaan.
vrijdag 17 februari 2006
maandag 6 februari 2006
sprookje
Er was eens een groot dier-rijk bos waar ze in betrekkelijke harmonie leefden, wat uniek is in een wereld van levende wezens. Tot er een dwarsligger werd geboren. Alpha de aap wenste vanaf den beginne niet te luisteren naar het gezag van zijn vader en moeder en werd zowel gehaat als benijd door z'n oudere broers en zusters. Toegeeflijkheid stond niet in z'n woordenboek en van aanpassen wilde hij niets weten. Hij ging gewoon zijn eigen gangetje.
Alpha, de bonte aap met zijn rode kop sprong van tak naar tak en keek wantrouwig om zich heen om zich te vergewissen dat er geen kapers op de kust waren. In het verleden hadden zijn apenbroers, die altijd in de bomen zaten, alle nootjes van hem opgegeten waardoor hij steeds achter het net viste. Hij keek goed rond en ontdekte een grote zwarte kraai op de bovenste tak. De vogel keek nors en katerig voor zich uit.
Hallo, lispelde de aap, hoe heet jij, ik ben Alpha.
Ik ben Kobus, kraste de kraai argwanend. Nog nooit had een vogel naar zijn naam gevraagd, laat staan een aap.
Wat lijkt het mij enig om te vliegen.
Het lijkt mij niet onaardig om in bomen te klimmen en aan mijn poten aan een tak te hangen, spotte de kraai.
Mag ik eens op jouw rug zitten? vroeg Alpha met brede grijns, dan vliegen we samen door de lucht en kunnen op alles en iedereen neerkijken en schijten lekker een losse flodder op die lelijke apenkop van een broer van mij, dié daar.
Kobus verzot op avontuur was hier onmiddellijk voor te vinden en vertelde dat hij gistende bessen van de esdoorn wist te vinden waar hij gisteren zo'n prettig zwevend en losgeslagen gevoel aan overgehouden had.
Met een paar schitteroogjes streek Kobus neer op de tak waar Alpha zat. Waar wil je heengaan, jongeman, naar het Elysium, Nirwana of Utopia?
Laat mij die bessen maar es zien, zei Alpha, die wel zin had in zo'n buitenkansje.
Nadat ze zich tegoed hadden gedaan, keerden ze in woeste vlucht terug naar het grote dierenbos, krijsend en joelend vanuit de lucht en ontzet nagestaard door familie aap zette Kobus hem op de hoogste tak van de boom. Zo hoog had Alpha nog nooit geklommen, zo ver waren zelfs zijn broers nooit geweest.
Ondeugend lachend zei Kobus: En nou laten we het lekker regenen over je familie.
Abonneren op:
Posts (Atom)







\
