vrijdag 8 februari 2008

afgedankt


Als hij voor de zoveelste keer vanachter zijn krant om koffie blaft zonder haar zelfs maar aan te kijken, knapt er iets in haar. Weet hij eigenlijk nog wel wie ze is.
Een uitgelezen boek heeft hij haar onlangs nog toegeschreeuwd tijdens een flinke ruzie. Een andere keer met vreselijke mot heeft hij haar een paar afgedragen schoenen met een uitgezakt lijf en een ouwe rotkop genoemd. Je denkt toch niet dat jij nog het aankijken waard bent, hè, had hij naar haar gesneerd met dat eeuwige uitgestreken smoelwerk van hem.
Dan duikt hij weer achter z’n uitgekauwde dagblad. Nee, hij moet haar niet meer dat is duidelijk. Koffie zetten en eten koken, dát mag ze. Het enige recht dat zij heeft is de keuken, de potten, pannen en het aanrecht. Naar haar kijkt hij niet maar hij loert wel naar alle jonge meiden. Die achterbakse gluiperd, die ouwe gluurder. In het weekend gaat hij met zijn vriend een pilsje pakken. Inmiddels weet zij wel beter. Ondertussen weet ze wat dat betekent: de rosse buurt in, vrouwtjes kijken...
Haar buurvrouw belde haar laatst op: Wat denk je mop, wie ik laatst op de wallen tegen kom?
Ze moest raden, ze had al zo’n donkerbruin vermoeden.
Hoe moet ik dat nou weten? vroeg ze zogenaamd argeloos.
Je eigen mannetjepannetje, je eigenste hartelappie.
Ze verschoot zowat van kleur. Gelukkig dat buurvrouw het niet kon zien.
Ja-ha, ik kwam van de Bijenkorf en stak dwars over de wallen via de Stoofsteeg naar de Nieuwmarkt waar ik hem naar binnen zag gaan. Ik wist nou niet of ik het je moest vertellen maar de eerlijkheid gebiedt mij... zei ze met valse ondertoon.
Het doet voor haar de deur dicht maar ze zal niets laten blijken. Wat een zakkenwasser. Wat moet ze nu. Zo florissant ziet ze er inderdaad niet meer uit, dat is waar. Ze voelt zich een huissloof. De kinderen zijn de deur uit. Wat is er overgebleven van hun ooit zo oogverblindende en opwindende relatie. Laatst heeft ze nog in de libelle gelezen: zet uw negatieve gevoelens om in positieve energie. Jesus, hoe moet ze dat doen. Met de moed der wanhoop sluipt ze naar de linnenkast. Daar ligt de jarretel van dertig jaar geleden nog praktisch nieuw. Zwarte netnylons, welja. Een lila negligé, weliswaar ook al uit de oude doos maar wat maakt dat uit. Dit niemendalletje is tijdloos. Eerst even een slok brandewijn. Ze kleedt zich om en doft zich op. Zwikken doet ze op haar stilettohakken maar dat is een kwestie van wennen. Nog een brandewijntje, lekker, dat spul brandt behaaglijk in haar mond en voelt ze door haar slokdarm glijden. Ze wordt er helemaal warm van. Ze komt al aardig in de stemming. Is zij dat in die spiegel. Haar rug recht en zelfs die arrogante blik van vroeger. Snel giet ze het restant van de sterke drank naar binnen. Ze struikelt bijna de trap af, ze zal hem leren, ze voelt zich goed, zeker van zichzelf.
Ineens staat ze voor z’n krant. Hij heeft nog niks in de gaten, ha ha, die lul.
Hier ben ik, zegt ze zonder gêne, je eigen stoephoer.
Zie je wel, hij heeft het niet meer. Ze geniet zienderogen. Ze heeft de situatie volledig in de hand. Het kan haar niets meer schelen wat er zal gebeuren maar één ding is zeker: hij heeft oog, oog voor haar, enkel en alleen voor haar. Nu.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen